Naar boven ↑

Rechtspraak

Appellante heeft woonplaats niet in Nederland behouden, maar overgebracht naar Duitsland. Van een vergelijkbare nauwe band met Nederland als bedoeld in het arrest Bergemann is in de situatie van appellante geen sprake.

Appellante, die de Nederlandse nationaliteit heeft, verhuist in 2008 vanuit Nederland naar Duitsland om te gaan samenwonen met haar toenmalige Duitse partner. Vanaf 16 augustus 2010 verricht zij in Duitsland verzekerde werkzaamheden. In verband met de verbreking van haar relatie wordt op verzoek van appellante haar laatste dienstverband voortijdig beëindigd per 1 februari 2015. Haar laatste werkdag is op 22 januari 2015 en op 29 januari 2015 verhuist zij naar Nederland. Op 25 februari 2015 vraagt appellante een WW-uitkering aan. Bij besluit van 16 maart 2015 wijst UWV deze aanvraag af omdat appellante op het moment dat zij werkloos werd, in Duitsland woonde en daar ook verzekerd was, zodat zij in Nederland geen recht heeft op WW-uitkering. Het bezwaar en het beroep worden afgewezen. In hoger beroep voert appellante primair aan dat zij op de eerste werkloosheidsdag, 1 februari 2015, in Nederland woonde en onder Verordening (EG) nr.  883/2004 het woonland verantwoordelijk is voor de verstrekking van een werkloosheidsuitkering. Subsidiair betoogt zij dat ook het arrest Bergemann in haar situatie leidt tot recht op een werkloosheidsuitkering uit Nederland omdat zij wegens familieomstandigheden naar Nederland is teruggekeerd nadat de relatie met haar Duitse partner was verbroken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellante per 1 februari 2015 volledig werkloos was, dat zij toen aan de nationale wet geen aanspraak op werkloosheidsuitkering kon ontlenen, dat zij niet viel aan te merken als een grensarbeider in de zin van artikel 1, sub f, van Vo 883/2004 en dat Duitsland als laatste werkland de bevoegde lidstaat is in de zin van artikel 1, sub q, van Vo 883/2004. In geschil is de vraag of appellante op grond van artikel 65, tweede en vijfde lid, van Vo 883/2004 met ingang van 1 februari 2015 aanspraak kon maken op een werkloosheidsuitkering uit Nederland. Artikel 65, tweede lid, van Vo 883/2004 luidt als volgt: “De volledig werkloze, die tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden, al dan niet in loondienst, in een andere dan de bevoegde lidstaat woonde en in die lidstaat blijft wonen of ernaar terugkeert, stelt zich ter beschikking van de arbeidsvoorzieningsdiensten van de lidstaat waar hij woont.” Artikel 65 lid 5 onder a van Vo 883/2004 voegt hieraan toe dat deze werkloze ook recht heeft op uitkering volgens de wetgeving van de lidstaat waar hij woont alsof hij tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden al dan niet in loondienst aan die wetgeving onderworpen was. Deze prestaties worden verleend door het orgaan van de woonplaats.

Voor de beantwoording van de vraag of appellante zich met vrucht op deze bepalingen kan beroepen, is van belang of appellante tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden in Nederland woonde. Nu appellante volgens de Duitse wetgeving sociaal verzekerd is geweest tot en met 31 januari 2015, wordt appellante tot het einde van haar dienstbetrekking geacht werkzaamheden te hebben verricht. Dit betekent dat appellante tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden is verhuisd naar Nederland. Voor de beantwoording van de vraag of appellante tijdens het verrichten van haar laatste werkzaamheden in Nederland “woonde”, zijn van belang de algemene criteria die het Hof onder meer in de arresten van 17 februari 1977, 76/76, Di Paolo en van 8 juli 1992, C-102/91, Knoch, heeft neergelegd. Van “wonen” als bedoeld in artikel 71, lid 1, sub b-ii, van Vo 1408/71 is volgens het Hof sprake als de werknemer, ofschoon werkzaam in een andere lidstaat, zijn gewone woonplaats behoudt en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In dat geval is het volgens het Hof gerechtvaardigd werkloosheidsuitkering te ontvangen in de lidstaat van de woonplaats omdat de betrokkene nauwe banden heeft behouden met het land waar hij is gevestigd en gewoonlijk verblijft, in het bijzonder wat het privéleven en beroep betreft. Werknemers die dergelijke banden hebben met de lidstaat van de woonplaats zullen immers gewoonlijk in die staat ook de beste kansen op re-integratie in het arbeidsproces hebben (zie ook punt 20 van het arrest Bergemann en vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3364). Gelet op alle omstandigheden van het geval, zoals de duur en het doel van het vertrek van appellante uit Nederland alsmede het feit dat zij langdurig in Duitsland heeft gewerkt, is evident en onweersproken dat appellante destijds, toen ze met haar toenmalige partner in Duitsland ging samenwonen, haar woonplaats niet in Nederland heeft behouden, maar heeft overgebracht naar Duitsland. Van een vergelijkbare nauwe band met Nederland als bedoeld in het arrest Bergemann, is in de situatie van appellante geen sprake. De reden waarom appellante weer in Nederland is gaan wonen – de verbreking van de relatie met haar echtgenoot – brengt een zodanige band niet tot stand en zegt op zichzelf niets over de vraag in welke mate appellante in Nederland kans had op het vinden van werk. Niet is gebleken dat de verbreking van de relatie op zich noopte tot het verlaten van het werkland Duitsland. Gelet op de duur van het verblijf van appellante in Duitsland, haar huwelijk met een Duitser alsmede het feit dat zij ruim vier jaar in Duitsland heeft gewerkt, kan niet op voorhand worden gezegd dat het voor appellante veel gunstiger was om in Nederland een nieuwe arbeidsplaats te zoeken dan in Duitsland. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het Hof heeft uitgesproken dat aan artikel 71, lid 1, sub b-ii, van Vo 1408/71 een strikte uitleg moet worden gegeven (arrest Di Paolo, punt 13). De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat appellante ten tijde in geding aan het recht van de Europese Unie geen aanspraak op een WW-uitkering kon ontlenen. Het hoger beroep slaagt niet.