Naar boven ↑

Rechtspraak

Het komt voor rekening en risico van appellant dat hij de inlichtingen die nodig zijn voor het vaststellen van de beslagvrije voet pas laat aan UWV heeft doen toekomen. UWV heeft terecht de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aangepast tot het moment dat de inlichtingen waren ontvangen en niet tot een eerder moment.

Appellant start met recht op een WW-uitkering met toestemming van UWV als zelfstandige. In verband met zijn inkomsten wordt een te hoog bedrag aan voorschotten op grond van de WW betaald. Dit bedrag wordt door UWV daarom teruggevorderd. Bij brieven vraagt UWV appellant het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te vullen en te retourneren. Hierop reageert appellant niet. Hierop volgend stuurt UWV een dwangbevel. UWV legt beslag op de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De gemeente houdt met inachtneming van de door UWV vastgestelde beslagvrije voet een bedrag in en stelt dit aan UWV betaalbaar. Vervolgens vraagt UWV appellant wederom het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te vullen en te retourneren. Uiteindelijk legt appellant diverse financiële gegevens over en verzoekt hij UWV daarbij om aanpassing van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht. Bij besluit schort UWV, gezien de hoogte van de inkomsten van appellant, de invordering op. Bij besluit verklaart UWV tevens het bezwaar van appellant, dat de nihil-stelling niet met terugwerkende kracht is toegepast, ongegrond. Hangende het beroep wijzigt UWV laatstgenoemd besluit in die zin dat de beslagvrije voet wordt toegepast met ingang van de datum van ontvangst van de financiële gegevens van appellant. Vanaf die datum is de invordering van de WW-uitkering opgeschort. Appellant gaat in beroep en stelt zich op het standpunt dat het besluit tot opschorting van de invordering tot een eerdere datum terugwerkt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Appellant gaat hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. UWV kan een onverschuldigd betaalde uitkering bij dwangbevel invorderen. Zolang de overtreder zijn WW-verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt, geldt de beslagvrije voet niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan UWV de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn. Voorts moet de beslaglegger met een wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen onverwijld rekening houden.

Tussen partijen is niet in geschil wat de datum is waarop UWV de voor de herberekening van de beslagvrije voet benodigde gegevens heeft ontvangen. Zolang de verplichting om de voor de vaststelling van de beslagvrije voet benodigde inlichtingen te verstrekken niet wordt nagekomen, geldt de beslagvrije voet niet bij de invordering. Dit betekent dat pas vanaf het moment waarop wordt voldaan aan de verplichting om inlichtingen te verstrekken, de beslagvrije voet geldt. Pas dan kan immers de beslagvrije voet worden bepaald en kan hiermee rekening worden gehouden bij de invordering. Zou de beslagvrije voet op grond van het alsnog verstrekken van de benodigde inlichtingen met terugwerkende kracht moeten worden toegekend, dan zou het in de rede hebben gelegen dat de wetgever hiervoor bepalingen zou hebben gegeven. Deze bepalingen ontbreken. Zodoende bestaat juist een prikkel om de benodigde inlichtingen met voortvarendheid te verschaffen. De omstandigheid dat appellant niet willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt, maakt dit niet anders. Dat de beslagvrije voet pas laster is aangepast komt derhalve voor rekening en risico van appellant. UWV heeft voldaan aan het vereiste dat onverwijld rekening moet worden gehouden met de wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.