Naar boven ↑

Rechtspraak

Met annotatie door A. Wit

Voorschot WW-uitkering ten onrechte teruggevorderd: betalingen uit stamrecht-bv vallen niet onder inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking maar onder inkomen uit vroegere dienstbetrekking.

De dienstbetrekking van appellant wordt met ingang van 1 oktober 2010 beëindigd. In verband met deze beëindiging ontvangt appellant een vergoeding van € 69.032 bruto van werkgever. In september 2010 laat appellant een onderneming registreren bij de Kamer van Koophandel (KvK), waarbij appellant voornoemde vergoeding als stamrecht inbrengt in de onderneming. Appellant is enig aandeelhouder en bestuurder van de onderneming. Tevens laat appellant nog een andere onderneming registreren bij de KvK, waarvan hij eveneens enig aandeelhouder en bestuurder is. Appellant wordt met ingang van 1 oktober 2010 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Bij besluit van 1 februari 2011 verleent UWV appellant onder toepassing van artikel 77a WW toestemming om met behoud van uitkering werkzaamheden te gaan verrichten om van start te gaan met een eigen bedrijf, een en ander over de periode van 3 januari 2011 tot en met 3 juli 2011. De WW-uitkering wordt over de startperiode als voorschot betaald. Met ingang van 4 juli 2011 wordt de WW-uitkering van appellant beëindigd omdat appellant volledig als zelfstandige werkte. Bij besluit van 28 mei 2014 stelt UWV op basis van gegevens van de Belastingdienst vast dat appellant het over de periode van 3 januari 2011 tot en met 3 juli 2011 ontvangen voorschot tot een bedrag van € 17.189,60 moet terugbetalen. Bij deze berekening is UWV uitgegaan van een belastbaar loon van appellant van € 53.280 in 2011 en van € 0 in 2012. Volgens appellant behoorde de periodieke uitkering die hij in zijn stamrecht-bv ontving niet tot het loonbegrip van de Wet LB 1964, zodat deze uitkering volgens appellant ook niet onder artikel 16 Wfsv en artikel 35aa WW valt. Voorts is het volgens appellant niet aan UWV om te bepalen dat de stamrechtuitkering wel als inkomsten uit arbeid dient te worden beschouwd, maar aan de Belastingdienst. Volgens appellant is de rechtbank er in de aangevallen uitspraak ten onrechte aan voorbijgegaan dat de Belastingdienst het inkomen van € 53.280 heeft verplaatst naar inkomen uit vroegere dienstbetrekking, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er inkomsten zijn ontvangen voor werkzaamheden. Het bezwaar en beroep tegen voornoemd besluit zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat uitkeringen die worden gedaan uit een stamrecht-bv worden beschouwd als loon uit een vroegere dienstbetrekking en dergelijke uitkeringen dus niet worden betrokken bij de berekening van de inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 5 Inkomstenbesluit Werkloosheidswet. Appellant heeft zijn ontslagvergoeding ondergebracht in de onderneming waarin hij geen werkzaamheden verrichtte. De Belastingdienst heeft met deze constructie ingestemd. Duidelijk is dat werd beoogd vanuit die onderneming de door appellant ontvangen ontslagvergoeding aan hem uit te keren. De uitkeringen die zijn gedaan zijn daarmee te beschouwen als loon uit vroegere dienstbetrekking. Dat sprake is geweest van betalingen uit een stamrecht-bv volgt verder nog uit de correctie die de Belastingdienst in 2015 heeft verricht op de aanslag inkomstenbelasting over 2011 waarbij de verrekening van de arbeidskorting ongedaan is gemaakt. Daarbij is overwogen dat het inkomen uit een stamrechtuitkering niet valt onder inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking maar onder inkomen uit vroegere dienstbetrekking. Er is geen aanleiding om dit standpunt van de Belastingdienst niet te volgen. Het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd.