Naar boven ↑

Rechtspraak

De rechtbank heeft met juistheid de grondslag van het loonsanctiebesluit onderschreven dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft.

Werkneemster werkt bij appellante voor achttien uur per week. Op 11 oktober 2012 valt zij uit voor haar werk wegens surmenageklachten. Werkneemster vraagt op 22 juni 2014 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan. Bij besluit van 24 september 2014 verlengt UWV het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen, met 52 weken tot 8 oktober 2015. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – wordt opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA. Volgens UWV zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. UWV heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet.

De Centrale Raad van Beroep komt tot de volgende beoordeling. In hoger beroep is in geschil of UWV terecht het tijdvak waarin werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken tot 8 oktober 2015 heeft verlengd, omdat sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante zonder dat daarvoor een deugdelijke grond is. De rechtbank heeft met juistheid de grondslag van het bestreden besluit onderschreven dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en zij daarvoor geen deugdelijke grond heeft. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak uitgebreid ingegaan op de beroepsgronden van appellante. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt van belang geacht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar reacties van 14 april 2016 en 6 september 2016 op de door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken overtuigend uiteen heeft gezet waarom die stukken het aan appellante gemaakte verwijt dat het interne onderzoek naar een functie voor werkneemster in het kader van het eerste spoor nooit op transparante wijze is vastgelegd en sprake is van een inadequaat verlopen tweede spoortraject, niet hebben weerlegd. Uit die stukken is niet gebleken dat sprake is geweest van een adequaat onderzoek en zijn de afwegingen die met betrekking tot de geschiktheid van de functie in het eerste spoor zijn gemaakt onvoldoende zichtbaar geworden. Ook hebben die stukken niet weerlegd dat in het tweedespoortraject onduidelijkheid bestond over het doel van dat traject, de uitvoering ervan op een laag pitje stond en het traject voortijdig is stopgezet. Wat het standpunt van appellante betreft dat de houding van werkneemster mede debet is geweest aan het mislukken van de re-integratie in het tweede spoor, wordt gewezen op de verklaring van appellante ter zitting dat re-integratie in het eerste spoor steeds de voorkeur heeft gehad bij werkneemster en werkgeefster. Het hoger beroep slaagt niet.