Rechtspraak
Werknemer werkt bij betrokkene als chauffeur voor gemiddeld 42,34 uur per week. Hij valt op 5 maart 2010 uit wegens ziekte. Vanaf eind 2010 hervat werknemer zijn werkzaamheden gedeeltelijk en breidt de werkzaamheden ook uit. Op zijn aanvraag om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) beslist UWV afwijzend op de grond dat werknemer na afloop van de wettelijke wachttijd van 104 weken op 2 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Werknemer is op dat moment vier dagen per week werkzaam en op woensdagen vrij. Bij besluit van 18 november 2014 stelt UWV vast dat werknemer met ingang van 16 januari 2014 in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is het maandelijks aan uitkering te betalen bedrag, na aftrek van het door werknemer ontvangen maandinkomen, gesteld op € 403,62 bruto. Werkgeefster heeft tegen het besluit van 18 november 2014 bezwaar gemaakt. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het maandloon niet met de WIA-uitkering mag worden verrekend, omdat werknemer na zijn eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode van 104 weken in dezelfde functie is blijven werken waardoor geen sprake is van nieuw bedongen arbeid. De rechtbank verklaart bij de aangevallen uitspraak – anders dan UWV in het bestreden besluit – het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het besluit van 18 november 2014 en bepaalt dat de loonaanspraak van werknemer niet in mindering wordt gebracht op de toegekende WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene op grond van artikel 7:629 van het BW na de hernieuwde uitval in 2014 tot loonbetaling aan werknemer gehouden was. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het ontstaan van een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend is of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid. Ook is geoordeeld dat uit artikel 7:629 van het BW in het geval van ziekte van de werknemer in verband met het tiende lid van dat artikel na een periode van hervatting van meer dan vier weken dan een nieuwe loondoorbetalingsperiode van 104 weken voortvloeit. Appellant wordt niet in zijn standpunt gevolgd dat de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden. Zoals uit het citaat blijkt, heeft appellant slechts volstaan met de veronderstelling dat betrokkene en werknemer afspraken hebben gemaakt over de arbeidstijd en arbeidsomvang en deze afspraken op een gezamenlijke keuze van beide partijen berusten. Behoudens de genoemde aannames in het weergegeven citaat uit het hogerberoepschrift heeft appellant niet met concrete gegevens onderbouwd dat partijen zich overeenkomstig de gewijzigde situatie bestendig hebben gedragen en daarom aangenomen moet worden dat de bedongen arbeid is gewijzigd. In het door appellant genoemde arbeidskundige rapport van 11 januari 2012 staat op pagina 5 onder het kopje Huidige situatie: ‘Hij werkt vanaf 01-03-2011 gedurende 4 dagen per week in eigen werk; dit op wisselende dagen per week. Vanaf 01-03-2011 is hij voor 80% beter gemeld. Afhankelijk hoe het hem gaat zal hij dit proberen uit te breiden; hij realiseert zich dat sprake zal kunnen zijn van loonachteruitgang indien hij 4 dagen per week blijft werken. Hij zal dit verder bespreken met werkgever.’ Daargelaten wordt de vraag welke betekenis zou moeten worden toegekend aan het wijzen door een arbeidsdeskundige op rechtspositionele consequenties voor de vaststelling van een gezamenlijke keuze van werkgever en werknemer. Uit het rapport van 11 januari 2012 volgt dat het onderzoek naar de bedongen arbeid beperkt is gebleven tot een gesprek dat de arbeidsdeskundige met werknemer heeft gehad en dat vanaf 1 maart 2011 de werkzaamheden nog als passende werkzaamheden werden beschouwd. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting erkend dat het aan hem is de ingenomen stelling dat deze passende werkzaamheden per 2 maart 2012 als gewijzigde bedongen arbeid kunnen worden beschouwd van onderbouwing te voorzien. Geoordeeld wordt dat met wat de arbeidsdeskundige in zijn rapport heeft neergelegd geen inzicht is verkregen in de afspraken die betrokkene en werknemer expliciet, dan wel meer impliciet, hebben gemaakt over een nadere invulling van hun arbeidsrelatie. Het hoger beroep slaagt niet.