Rechtspraak
Appellant is sinds augustus 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam als kok. Op de arbeidsovereenkomst is de Horeca-cao van toepassing. In november 2014 wordt de werkgever van appellant in staat van faillissement verklaard, waarop de curator de arbeidsovereenkomst met appellant opzegt. Appellant verzoekt UWV vervolgens om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van werkgever wegens betalingsonmacht over te nemen. Bij besluit van 15 januari 2015 wijst UWV dit verzoek toe, waarbij bedragen aan loon, vakantietoeslag en vakantie-uren worden overgenomen van in totaal € 3.410,53. In verband met zogenoemde ‘min-uren’ worden 60,34 uren in mindering gebracht op de betalingsverplichting, zodat de over te nemen betalingsverplichting is verlaagd met een bedrag van € 702. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is in geschil of UWV terecht de min-uren in mindering heeft gebracht op de over te nemen loonbetalingsverplichtingen van werkgeefster. De door UWV over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat een werkgever en een werknemer in hun rechtsverhouding waren overeengekomen en/of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Ter vaststelling van deze aanspraken moet de bestuursrechter zelfstandig de uit het burgerlijk recht voortvloeiende verplichtingen van een tot betaling onmachtige werkgever en de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de werknemer en de werkgever beoordelen. Uit de Horeca-cao en de toelichting daarop van de branchevereniging Horeca-Nederland volgt dat de term ‘verrekenen’ in de cao niet moet worden gelezen als ‘in mindering brengen op loon of vakantiedagen’, maar als ‘inhalen’. Dit kan slechts in de maand januari van het daaropvolgende kalenderjaar door een werknemer extra in te roosteren. Deze uitleg volgt naar objectieve maatstaven uit de bewoordingen van de cao. Gegeven deze uitleg moet worden geconcludeerd dat de werkgever niet bevoegd was geweest deze uren op het loon van appellant in mindering te brengen. Dit betekent eveneens dat UWV niet bevoegd was de min-uren te verrekenen met de vakantie-uren van appellant. Het hoger beroep slaagt.