Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgever is verantwoordelijk voor kwaliteit ingeschakelde arbodienst: verhaal ZW-uitkering wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Een werknemer van appellante meldt zich op 1 mei 2013 ziek. Het tijdelijk dienstverband tussen partijen eindigt op 31 januari 2014. Vanaf 3 februari 2014 heeft werkneemster recht op een ZW-uitkering. UWV beoordeelt of appellante zich voorafgaande aan de beëindiging van het dienstverband voldoende heeft ingespannen om werkneemster in passend werk te re‑integreren. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige concludeert UWV bij besluit van 1 april 2014 dat de re-integratie-activiteiten van appellante onvoldoende zijn geweest tijdens het tijdvak van 19 augustus 2013 tot 31 januari 2014, onder meer omdat appellante er ten onrechte van is uitgegaan dat werkneemster gedurende die periode niet beschikte over benutbare mogelijkheden om te werken. UWV heeft daarom de aan werkneemster betaalde ZW-uitkering op appellante verhaald tot een bedrag van € 6.825,48. Appellante stelt dat deze verhaalsanctie ten onrechte is opgelegd, mede nu zij te goeder trouw is afgegaan op de adviezen van haar arbodienst, waarbij pas later is gebleken dat de adviezen zijn gegeven door een casemanager en niet door een arts. Het bezwaar en beroep tegen voornoemd besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV bij het bestreden besluit terecht is overgegaan tot verhaal van de verstrekte ZW‑uitkering op appellante, omdat er geen deugdelijke grond was voor appellante om geheel af te zien van re-integratie-inspanningen. Volgens vaste rechtspraak is een werkgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen. In dit geval is door een niet-medicus, verbonden aan de arbodienst waar werkgeefster al enige jaren gebruik van heeft gemaakt, geadviseerd dat werkneemster om medische redenen met rust moest worden gelaten en dat werkneemster geen druk moest worden opgelegd. Appellante heeft dit advies opgevolgd en vanaf

19 augustus 2013 tot het einde van het dienstverband in het geheel geen inspanningen verricht gericht op de re‑integratie van werkneemster. De onbekendheid bij appellante over de professionele status van haar adviseur moet, gelet op haar verantwoordelijkheid voor een adequate re‑integratie, voor haar risico worden gelaten. Dat geldt eveneens voor het gegeven dat niet geheel kan worden uitgesloten dat begeleiding door een bedrijfsarts wel of niet tot een ander resultaat zou hebben geleid. Het hoger beroep faalt.