Naar boven ↑

Rechtspraak

ZW-uitkering terecht geweigerd: geen privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Appellant vraagt op 11 maart 2015 een ZW-uitkering aan. Bij besluit van 31 maart 2015 beslist UWV dat appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij niet verzekerd was voor die wet. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij wel verzekerd was, nu hij werkzaam zou zijn geweest in een (op mondelinge afspraken gebaseerde) privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Nu appellant een aanvraag heeft ingediend voor een ZW-uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op deze uitkering. Appellant moet dus aannemelijk maken dat hij ten tijde van zijn uitval werkzaam was als werknemer in de zin van artikel 3 ZW en artikel 7:610 BW. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Appellant heeft ook in hoger beroep geen schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest. Aan appellant kan worden toegegeven dat een arbeidsovereenkomst niet op schrift behoeft te worden gesteld, wil hiervan sprake kunnen zijn, maar appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat een arbeidsovereenkomst mondeling of anderszins tot stand is gekomen. Uit de verklaring van de (vermeend) werkgever blijkt slechts dat dit bedrijf de intentie had om appellant in dienst te nemen. Niet is gebleken dat daadwerkelijk gevolg is gegeven aan deze intentie. Het hoger beroep faalt.