Rechtspraak
Appellante is vanaf 1 mei 1989 in dienst van het Ministerie. Sinds 1 januari 2010 vervult zij een onbekende functie. De Staatssecretaris van Financiƫn (staatssecretaris) legt appellante bij besluit van 4 augustus 2015 met ingang van 6 augustus 2015 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag op. Het ontslag van appellante is in rechte vast komen te staan. Bij besluit van 17 september 2015 stelt UWV vast dat appellante vanaf 6 augustus 2015 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. Appellante herhaalt in hoger beroep in wezen de gronden van beroep. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen onjuiste aangiftes heeft gedaan. Haar aangiftes zijn weliswaar gecorrigeerd, omdat zij geen bewijstukken heeft bewaard van door haar opgevoerde aftrekposten en haar dochter een fout heeft gemaakt bij het opgeven van een deel van het spaargeld op hun en-/of-rekening, maar dat maakt haar aangiftes volgens appellante niet onjuist.
De Raad oordeelt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante verwijtbaar werkloos is geworden uit haar dienstverband bij de Belastingdienst en dus of aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag lag. In zijn uitspraak van 4 mei 2017 heeft de Raad onder meer overwogen dat de staatssecretaris het doen van onjuiste aangiften terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt, dat het plichtsverzuim appellante is toe te rekenen en dat de staatssecretaris daarom bevoegd was haar een disciplinaire straf op te leggen voor het plichtsverzuim. Verder is overwogen dat de staatssecretaris hoge eisen over het nakomen van hun fiscale verplichtingen mag stellen aan ambtenaren van de Belastingdienst, ook als zij geen specifiek fiscale functie bekleden. Gemeten aan deze hoge eisen getuigt het plichtsverzuim van appellante van ernstig tekortschieten in integer functioneren. De Raad heeft daarom geoordeeld dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Er is geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van appellante die meebrengen dat van een dringende reden geen sprake was. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hierover. Dit betekent dat van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW sprake was. Vervolgens moet worden beoordeeld of de staatssecretaris in de loop van de procedure die is uitgemond in een strafontslag voortvarend genoeg heeft opgetreden. Vastgesteld wordt dat UWV in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de staatssecretaris bij de ontslagverlening voortvarend heeft gehandeld. Na dat appellante op 8 maart heeft gereageerd op een verslag van het gesprek van 4 maart, lijkt de procedure te hebben stilgelegen tot 10 juni 2015. Op die datum is appellante geschorst. Weliswaar is in het ontslagbesluit gesteld dat in deze periode nader onderzoek heeft plaatsgevonden, maar niet is gebleken waaruit dit onderzoek heeft bestaan en evenmin wat de resultaten van dit onderzoek zijn geweest. Dit betekent dat onvoldoende is onderzocht of de staatssecretaris bij het verlenen van het ontslag voortvarend genoeg is opgetreden en het bestreden besluit in zoverre ook onvoldoende is gemotiveerd. UWV wordt in de gelegenheid gesteld het standpunt nader te onderbouwen.