Rechtspraak
Werknemer treedt op 2 november 1998 in dienst bij werkgeefster. Hij werkt gedurende 30 uur per week als assistent import. Als gevolg van rugklachten meldt werknemer zich op 19 februari 2013 ziek. Op 25 november 2014 vraag hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan. In verband met deze aanvraag stelt appellant een onderzoek in naar de re-integratie-inspanningen van werkgeefster. Dit onderzoek leidt tot een tweetal besluiten van 29 januari 2015. Bij het eerste besluit verlengt UWV het tijdvak waarin werknemer jegens werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 17 februari 2016 (loonsanctiebesluit). Bij het tweede besluit schort appellant de aanvraag van werknemer om een WIA-uitkering op in verband met de opgelegde loonsanctie (opschortingsbesluit). Werkgeefster en werknemer maken bezwaar tegen de besluiten van 29 januari 2015. Op verzoek van de werkgeefster bekort UWV in een ander besluit de loonsanctie tot en met 14 juli 2015. Bij besluiten van 31 juli 2015 (bestreden besluiten) verklaart appellant de bezwaren tegen de besluiten van 29 januari 2015 ongegrond. De re-integratie-inspanningen van werkgeefster in het tweede spoor zijn onvoldoende geweest, omdat het tweedespoortraject op het moment van beoordeling van het re-integratieverslag nog niet was afgerond. Het bestreden besluit houdt geen stand. Volgens de rechtbank was een eindrapport van het tweede spoortraject niet noodzakelijk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In het bestreden besluit heeft appellant als grondslag voor dat besluit vermeld dat ten tijde van het toetsmoment van de re-integratie-inspanningen geen sprake was van afronding van het tweede spoor aangezien de rapportage van het re-integratiebedrijf pas op 20 mei 2015 werd ingestuurd. Verder is in het bestreden besluit vermeld dat het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27/30 juli 2015 integraal onderdeel uitmaakt van de beslissing. Nu in het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitsluitend als grondslag voor de loonsanctie is vermeld dat geen sprake is van een afgerond tweede spoor, kan de eerst in hoger beroep naar voren gebrachte grond dat te laat zou zijn gestart met spoor 2, daargelaten of dat standpunt juist is, niet mede als grondslag voor het bestreden besluit dienen. Zoals reeds in de uitspraak van 18 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717) is overwogen, brengt het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA mee dat de door UWV bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat.
Op grond van het door appellant gestelde en de daarvan weergegeven citaten kan appellant niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de Circulaire 09C002 en de ‘RIV-toets in de praktijk’ een grondslag bieden voor de eis dat werkgeefster voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen per einde wachttijd een rapport met een afgerond tweedespoortraject had moeten overleggen. De eindrapportage die in de Circulaire 09C002 wordt vermeld, betreft volgens de Circulaire immers de situatie waarin de werkgever reeds een loonsanctie heeft opgelegd gekregen en hij in dat kader een tweedespoortraject geheel moet afronden. In de ‘RIV-toets in de praktijk’ wordt voor het beoordelingsmoment per einde wachttijd evenmin de eis gesteld dat sprake moet zijn van een afgerond tweedespoortraject. In de ‘RIV-toets in de praktijk’ wordt die eis alleen gesteld in het kader van een bekortingsverzoek van de loonsanctie. Het hoger beroep slaagt niet.