Naar boven ↑

Rechtspraak

Toepassing woonlandbeginsel bij vaststelling hoogte uitkering in strijd met verdrag tussen Nederland en Thailand inzake export van socialeverzekeringsuitkeringen.

Appellante woont in Thailand en ontvangt een WGA-vervolguitkering. Bij besluit van 15 maart 2016 stelt UWV vast dat op grond van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid de hoogte van de vervolguitkering is aangepast aan het kostenniveau van het land waarin appellante woont. De toepassing van deze woonlandfactor leidt ertoe dat het bedrag aan uitkering met ingang van 1 april 2016 wordt verlaagd tot 40% van de totale uitkering. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op 1 januari 2000 is de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) in werking getreden. De Wet BEU heeft tot doel de handhaafbaarheid van uitkeringen buiten Nederland te verbeteren. Het middel hiertoe is om met landen waar Nederlandse uitkeringen worden betaald, bij verdrag afspraken te maken die ten aanzien van dat land de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten, en daardoor de rechtmatigheid van de uitkeringen verbeteren. Door middel van de Wet BEU is in de socialeverzekeringswetten een exportbeperking opgenomen op grond waarvan buiten Nederland slechts recht op een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering kan bestaan in landen waarmee Nederland een verdrag met handhavingsafspraken heeft gesloten. Op 1 juli 2012 is de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) in werking getreden. Met deze wet is onder meer artikel 62 lid 2 van de Wet WIA gewijzigd. Hierdoor wordt aan de verzekerde die buiten Nederland, de EU, de EER of Zwitserland woont, slechts een bepaald percentage van de vervolguitkering uitgekeerd, afhankelijk van het kostenniveau van het land waarin de uitkeringsgerechtigde woont. Voor Thailand is dit percentage voor 2016 vastgesteld op 40. In artikel 4 van het verdrag met Thailand (NTV) is bepaald dat een beperking op de betaling van een uitkering uitsluitend op grond van het wonen in Thailand is verboden. Met de toepassing van de woonlandfactor op de uitkering is beoogd de export van de uitkering te beperken. Een dergelijke beperking wordt echter verboden door artikel 4 van het NTV. De Raad komt tot de slotsom dat artikel 4 van het NTV geen mogelijkheid schept de WGA-vervolguitkering te verlagen louter op de grond dat appellante in Thailand woont. De toepassing van het woonlandbeginsel bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering is hiermee in strijd. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.