Naar boven ↑

Rechtspraak

ZW-uitkering en WW-uitkering terecht ingetrokken; geen privaatrechtelijke dienstbetrekkingen.

De zoon van appellant richt in 2010 twee bedrijven op. De ondernemingen hebben als bezoekadres hetzelfde adres als het woonadres van appellant en zijn zoon. Onder meer volgens gegevens uit Suwinet en uit door appellant overgelegde stukken is appellant in verschillende periodes in dienst geweest bij verschillende bedrijven, waaronder voorgenoemde bedrijven van zijn zoon. Appellant is voorts op verschillende momenten in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering en voor een WW-uitkering. Naar aanleiding van een intern vermoeden van fraude stelt UWV onderzoek in naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde ZW-uitkering en WW-uitkering. Op basis van dit onderzoek concludeert UWV dat appellant niet onder gezag werkzaam is geweest en daarom niet verzekerd is geweest voor de ZW en de WW, waarop UWV de uitkeringen intrekt en de onterecht uitbetaalde bedragen terugvordert. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten zijn beide ongegrond verklaard.

Tussen partijen is in geschil of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 3 ZW en artikel 3 WW. Naar vaste rechtspraak moet voor het kunnen aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. In de onderhavige zaak is voorts van belang dat de Raad niet langer tot uitgangspunt neemt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Het oordeel van de rechtbank inhoudende dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt echter geheel onderschreven. Voor dit oordeel is onder meer de eigen verklaring van appellant zoals afgelegd tijdens het door UWV ingestelde onderzoek van belang. Appellant heeft verklaard dat zijn zoon nog op school zat en geen contacten en ervaring had, dat zijn zoon slechts kleine taken deed die appellant hem opdroeg en dat appellant zelf de leiding had. Ook zijn verklaringen van verschillende getuigen meegewogen, die onder meer hebben verklaard dat zij alleen met appellant te maken hadden, niet met zijn zoon, en dat appellant alles regelde. Het hoger beroep faalt.