Naar boven ↑

Rechtspraak

Besluit tot opleggen loonsanctie door UWV niet deugdelijk gemotiveerd.

Werkneemster is vanaf 2006 in dienst van appellante. In augustus 2012 valt zij uit in verband met nek-, schouder-, arm- en vermoeidheidsklachten. In mei 2013 concludeert een registerarbeidsdeskundige dat werkneemster (nog) niet in staat is haar eigen functie te vervullen, er geen mogelijkheden zijn om die functie geschikt te maken en er binnen het bedrijf van appellante ook geen andere herplaatsingsmogelijkheden zijn. In augustus 2013 wordt gestart met begeleiding van werkneemster naar een andere functie op de reguliere arbeidsmarkt. In december 2013 vraagt appellante een deskundigenoordeel bij UWV aan over de vraag of appellante voldoende doet om werkneemster weer aan het werk te helpen. UWV concludeert in het kader van dit deskundigenoordeel dat de inspanningen van appellante voldoende zijn. In mei 2014 vraagt werkneemster een WIA-uitkering aan. Bij besluit van 7 augustus 2014 legt UWV appellante een loonsanctie van 52 weken op, omdat appellante volgens UWV niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Gelet op het belastende karakter van een loonsanctie is het aan UWV om aannemelijk te maken dat werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. UWV dient zijn besluit in dit verband deugdelijk te motiveren. Niet in geschil is dat werkneemster ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. UWV heeft dan ook terecht aangenomen dat geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels, zodat UWV kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Ter beoordeling is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat UWV deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Nu uit het rapport van de arbeidsdeskundige van mei 2013 blijkt dat de functie van werkneemster in overwegende mate fysiek belastend is en dat er geen reƫle mogelijkheden zijn die functie aan te passen of in het bedrijf van appellante een andere functie te vinden die niet overwegend fysiek belastend is, wordt aannemelijk geacht dat appellante terecht haar inspanningen niet heeft gericht op re-integratie in het eerste spoor. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante en werkneemster veel activiteiten hebben ontplooid om te bevorderen dat werkneemster in het tweede spoor een functie kan vinden op de arbeidsmarkt. Werkneemster heeft een opleiding gevolgd tot voedingsdeskundige, heeft sollicitatietrainingen gedaan, coachinggesprekken gevoerd en veel sollicitaties verricht. Voor het standpunt dat in het tweede spoor, als was uitgegaan van de in de visie van de verzekeringsarts van UWV juiste beperkingen van werkneemster, meer en gerichtere activiteiten hadden kunnen worden verricht, zijn geen aanknopingspunten en dit standpunt is door UWV niet overtuigend gemotiveerd. Dat betekent dat UWV niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.