Naar boven ↑

Rechtspraak

Kosten briefwisseling belangenbehartiger van de werkneemster over de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting van appellante in het derde ziektejaar komen voor vergoeding in aanmerking. Appellante zou immers niet terecht zijn gekomen in deze discussie als UWV de onrechtmatige oplegging van een loonsanctie achterwege had gelaten.

Bij besluit van 30 juli 2014 bepaalt UWV dat appellante aan een werkneemster loon moet doorbetalen tot 15 augustus 2015, omdat appellante niet heeft voldaan aan haar re‑integratieverplichtingen. Appellante maakt tegen dit besluit bezwaar. UWV verklaart het bezwaar van appellante gegrond, herroept het besluit van 30 juli 2014 en bepaalt dat aan appellante de kosten van rechtsbijstand worden vergoed tot een bedrag van € 487. Met een brief van 20 oktober 2014 verzoekt appellante om schadevergoeding. Met brieven van 3 juli 2015 en 17 maart 2016 specificeert appellante de gevraagde schadevergoeding en verstrekt bewijsstukken. Bij besluit van 31 maart 2016 stelt UWV vast dat van de gevorderde schade een bedrag van € 184,78 aan resterende loonschade en een bedrag van € 40 voor het opstellen van de schadeclaim voor vergoeding in aanmerking komen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van appellante om UWV te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank legt aan haar oordeel ten grondslag dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kantoorkosten een rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatige besluit, dat voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar een forfaitaire vergoeding is toegekend en dat de kosten van rechtsbijstand in de briefwisseling met de FNV, gezien het in die briefwisseling betrokken standpunt van appellante, voor haar rekening komen en appellante de gemaakte kosten om uitkeringslasten van Delta Lloyd vergoed te krijgen niet toereikend heeft onderbouwd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het besluit van 30 juli 2014 een onrechtmatig besluit was en dat de schade van appellante die door dit besluit is veroorzaakt voor vergoeding door UWV in aanmerking komt.

(1) Wat betreft de gevorderde kantoorkosten kan in het midden blijven of de schade als gevolg van het besluit van 30 juli 2014 aan UWV kan worden toegerekend. Appellante heeft deze schadepost niet onderbouwd en haar gemachtigde heeft ook ter zitting niet uiteen kunnen zetten van welke kantoorkosten vergoeding wordt gevraagd en op welke wijze het bedrag van € 605 is berekend. Deze schadepost komt niet voor vergoeding in aanmerking.

(2) Bij het besluit van 23 december 2014 heeft UWV met toepassing van artikel 7:15 van de Awb en het Bpb over de bezwaarkosten beslist. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld, ondanks het feit dat zij zich blijkens haar stellingen in deze procedure niet kon verenigen met het haar toegekende bedrag van € 487 als vergoeding van de kosten van de door haar gemachtigde verleende rechtsbijstand. Het besluit staat in rechte vast. Met artikel 7:15 van de Awb en het Bpb heeft de wetgever een exclusieve regeling getroffen voor vergoeding van bezwaarkosten met een limitatief en forfaitair karakter. Dat betekent dat er – anders dan appellante heeft betoogd – geen ruimte is voor vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:88 van de Awb (zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3518).

(3) De stelling van appellante dat zij niet terecht zou zijn gekomen in een discussie met de belangenbehartiger van de werkneemster over de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting van appellante in het derde ziektejaar als UWV de onrechtmatige oplegging van een loonsanctie achterwege had gelaten, is juist. De briefwisseling is een rechtstreeks gevolg van het onrechtmatige besluit van 30 juli 2014. Het is voorts niet onredelijk dat appellante zich in de discussie over de (door haar bestreden) verplichting om loon door te betalen van juridische bijstand heeft voorzien. Daaruit voortvloeiende kosten van rechtsbijstand kunnen daarom als schadepost aan UWV worden toegerekend.

De FNV heeft ten tijde dat de loonsanctie van kracht was in haar brieven betaling aan werkneemster geëist van 90% van het loon in plaats van 70% van het loon. UWV wordt niet gevolgd in zijn stelling dat appellante de discussie met de FNV had moeten voorkomen door aan de werkneemster 90% van het loon door te betalen om vervolgens na de erkenning door UWV van de onrechtmatigheid van het besluit van 30 juli 2014 de loonkosten weer door UWV vergoed te krijgen. De verplichting om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit te beperken strekt niet zo ver dat een werkgever aan wie in verband met artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA ten onrechte een loonsanctie is opgelegd, gehouden zou zijn om de werknemer loon door te betalen in een omvang waartoe de toepasselijke CAO hem bij een terecht genomen loonsanctiebesluit zou verplichten.

(4) De kosten die appellante stelt te hebben gemaakt voor de briefwisseling met Delta Lloyd en de daarbij benodigde berekening zijn niet als gevolg van het onrechtmatige besluit aan UWV toe te rekenen.