Rechtspraak
Appellante vraagt op 19 januari 2012 een WW-uitkering bij UWV aan in verband met het faillissement van haar voormalig werkgever. UWV brengt appellante voor deze faillissementsuitkering in aanmerking. Appellante vraagt vervolgens op 19 april 2012 een WW-uitkering aan. UWV brengt haar hiervoor met ingang van 16 februari 2012 in aanmerking. Op 13 mei 2012 meldt appellante zich vanuit de WW-situatie ziek. Met ingang van 13 augustus 2012 ontvangt zij een ZW-uitkering. Uit onderzoek naar het faillissement van werkgever is gebleken dat deze werkgever onder andere met behulp van appellante een schijnconstructie heeft opgezet. Uit de administratie van werkgever en uit gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat er na oktober 2010 geen werkzaamheden voor derden zijn verricht, zodat niet aannemelijk is dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en daarmee een verzekeringsplicht voor de WW en de ZW. Bij besluit van 17 maart 2014 stelt UWV vast dat appellante ten onrechte een faillissementsuitkering heeft ontvangen, zodat UWV deze uitkering (€ 21.765,04) van appellante terugvordert. Bij besluit van 24 maart 2014 trekt UWV de WW- en de ZW-uitkering van appellante in, waarbij UWV tevens bedragen van appellante (€ 17.482,19 WW en € 48.755,87 ZW) terugvordert. Het bezwaar en beroep tegen voornoemde besluiten zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. In hoger beroep is niet langer in geschil of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en de vader van haar kinderen, maar stelt appellante zich op het standpunt dat tussen haar en haar leidinggevende bij werkgever een gezagsverhouding bestond. Naar het oordeel van de Raad zijn de in hoger beroep ingebrachte verklaringen hieromtrent consistent en wijzen deze op het ontbreken van een gezagsverhouding tussen appellante en haar leidinggevende. Appellante heeft de onjuistheid van deze verklaringen niet met tegenbewijs aannemelijk gemaakt. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat appellante zodoende niet verzekerd was voor de WW en de ZW. Het hoger beroep faalt derhalve.