Naar boven ↑

Rechtspraak

Verstrekken van lening door werknemer aan werkgever (partner) is onvoldoende om geen gezagsverhouding aan te nemen.

Appellant is sinds 19 april 1999 werkzaam als kok bij een pizzeria. Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel is deze pizzeria op 15 maart 1999 opgericht als eenmanszaak door de partner van appellant, met wie hij sinds 1992 samenwoont. Volgens een door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst van 1 januari 2002 is er met ingang van die datum een dienstverband voor onbepaalde tijd met de pizzeria. Op 1 december 2011 tekenen partijen een beëindigingsovereenkomst op basis waarvan het dienstverband met wederzijds goedvinden met ingang van 1 januari 2012 eindigt. Op 9 januari 2012 wordt de pizzeria opgeheven en vraagt appellant een WW-uitkering aan, waarvoor UWV appellant met ingang van 1 april 2012 in aanmerking brengt. Naar aanleiding van een onderzoek concludeert UWV in 2014 dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen appellant en de pizzeria en dat daarom geen sprake was van verzekeringsplicht. Bij besluit van 9 december 2014 trekt UWV de WW-uitkering van appellant met ingang van 2 januari 2012 in en vordert UWV de reeds betaalde WW-uitkering (€ 48.729,68) terug. Het bezwaar en beroep tegen voornoemde besluiten zijn ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Ook bij een arbeidsverhouding tussen partijen die tot elkaar in een familierechtelijke betrekking staan, kan een gezagsverhouding bestaan. Daarbij moet worden getoetst of degene die arbeid verricht aan gezag is onderworpen van de wederpartij, en of laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is daarbij wel een element dat mede betrokken dient te worden in deze beoordeling. Bestreden besluit 1 is gebaseerd op het standpunt dat een normale werknemer geen geld investeert in het bedrijf waar hij werkt, dat de lening van appellant gelet op het samenlevingscontract niet als een normale lening kan worden aangemerkt en dat hij zich bij de plaatselijke pers als eigenaar heeft gepresenteerd. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit het onderzoek van UWV niet dat UWV de wijze waarop en de reden waarom de leningen tussen appellant en zijn partner zijn aangegaan, heeft onderzocht. Bovendien is het enkele feit dat appellant een lening aan zijn partner heeft verstrekt onvoldoende om geen gezagsrelatie aanwezig te achten. De rechtbank wordt daarom niet gevolgd in haar opvatting dat in het licht van deze leningen moet worden geoordeeld dat tussen appellant en zijn partner al bij aanvang van de dienstbetrekking geen sprake zou zijn geweest van een gezagsrelatie. De Raad komt tot de slotsom dat door UWV niet aannemelijk is gemaakt dat in de relatie tussen appellant en pizzeria geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het hoger beroep slaagt.