Naar boven ↑

Rechtspraak

Loonsanctie terecht opgelegd; werkgever had re-integratieactiviteiten niet zonder meer achterwege mogen laten, maar had ook moeten onderzoeken of werknemer met behulp van scholing, training, dan wel werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis bij zijn terugkeer naar de arbeidsmarkt kon worden begeleid.

Appellante is een uitzendorganisatie en is eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder h ZW. Een werknemer van appellante die door haar wordt tewerkgesteld als magazijnmedewerker bij een inlener meldt zich op 7 juni 2012 ziek. Op grond van de toepasselijke cao is zijn arbeidsovereenkomst met appellante als gevolg van zijn ziekmelding geëindigd, waarna werknemer een ZW-uitkering ontvangt. Op 28 februari 2014 vraagt werknemer een WIA-uitkering aan bij UWV. Na beoordeling van het re-integratieverslag door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelt UWV bij besluit van 20 mei 2014 vast dat appellante onvoldoende heeft gedaan om werknemer te re-integreren en legt UWV appellante een loonsanctie op tot 9 juni 2015. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Blijkens de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter staat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het Beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door de werkgever en de werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Volgens de arbeidsdeskundige van UWV zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest omdat er geen re-integratieactiviteiten zijn geweest, terwijl volgens de bedrijfsarts van appellante daarvoor vanaf augustus 2013 wel mogelijkheden waren. Ter beantwoording is derhalve de vraag of appellante in de medische toestand van werknemer terecht grond heeft gezien om re-integratie-inspanningen geheel achterwege te laten. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval. Terecht is appellante het verwijt gemaakt dat zij geen nader onderzoek naar voor werknemer passend werk – van welke aard en omvang dan ook – in gang heeft gezet. Daarbij geldt dat zelfs als aan de medische bevindingen over de beperkingen van werknemer terecht de arbeidskundige opvatting was ontleend dat voor werknemer ‘geen passende functies in regulier betaalde arbeid te duiden zijn’, appellante niet zonder meer elke re-integratieactiviteit achterwege had mogen laten. Van een werkgever mag in redelijkheid worden verwacht dat hij beziet of de werknemer met behulp van scholing, training dan wel met een start van werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis bij zijn terugkeer naar de arbeidsmarkt kan worden begeleid. Het hoger beroep faalt.