Rechtspraak
Bij besluit van 18 februari 2013 brengt UWV appellant met ingang van 1 februari 2013 in aanmerking voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellant geeft op 16 maart 2015 en op 21 maart 2015 aan UWV door met ingang van 1 april 2015 als zelfstandige aan de slag te gaan op Curaçao. Bij besluit van 16 april 2015 beëindigt UWV de WW-uitkering daarom met ingang van 13 april 2015. Op 17 december 2014 ontvangt UWV een ‘Interne melding overtreding door klant begaan’ waaruit het vermoeden ontstaat dat appellant sinds december 2012 op Curaçao woont. UWV start naar aanleiding van deze melding een onderzoek naar het recht op uitkering van appellant. Bij dat onderzoek worden in mei 2015 bankafschriften van in totaal vier bankrekeningen van appellant bij drie banken opgevraagd en verkregen over de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 april 2015. Daarnaast wordt informatie opgevraagd bij het Internationaal Bureau Fraude Informatie van UWV. Op basis van met name de uit de bankafschriften blijkende pintransacties van appellant wordt in het onderzoeksrapport van de Dienst Handhaving-Uitvoering van het UWV (DHH‑Uitvoering) van 30 juni 2015 geconcludeerd dat aannemelijk is dat appellant vanaf 18 maart 2013 woonachtig is op Curaçao. UWV trekt de uitkering in en vordert de onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug. In hoger beroep stelt appellant dat hij tijdens de in geding zijnde periode weliswaar regelmatig op Curaçao is geweest, maar al die tijd zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehouden. Volgens appellant heeft UWV de bankgegevens onrechtmatig verkregen en mogen deze gegevens daarom niet als bewijs dienen voor de aanname dat hij vanaf 18 maart 2013 niet in Nederland woonachtig is geweest.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het bij banken opvragen door UWV van de bankafschriften van appellant vormt een inbreuk op het recht van appellant op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of die inbreuk in overeenstemming is met artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Ingevolge vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 oktober 2016, 61838/10, Vukota‑Bojić v. Zwitserland, overwegingen 60, 66, 67 en 68). De bevoegdheid van UWV om als toezichthouder in voorkomende gevallen bankafschriften op te vragen vindt zijn grondslag in de artikelen 5:16, 5:17 en 5:20 van de Awb. Gebruikt met inachtneming van de beperking uit artikel 5:13 van de Awb, biedt artikel 5:17 van de Awb een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.
De bankafschriften van appellant zijn opgevraagd met het doel vast te stellen of hij recht had op een WW‑uitkering. Dit doel kan worden aangemerkt als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland, waaronder mede moet worden begrepen het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude van sociale uitkeringen. Dit doel is gerechtvaardigd. Wat betreft de subsidiariteit moet worden beoordeeld of UWV een voor appellant minder ingrijpend middel ten dienste stond om zijn verblijfsituatie te onderzoeken. In dit verband wordt vooropgesteld dat artikel 5:13 van de Awb de aanwending van bevoegdheden door de toezichthouder beperkt en in de regel die aanwending niet mogelijk acht als de betrokkene te kennen heeft gegeven vrijwillig medewerking te verlenen. Vast staat dat UWV appellant niet in de gelegenheid heeft gesteld gegevens over te leggen waaruit zijn woon- of verblijfsplaats zou kunnen blijken. Ter zitting is als verklaring hiervoor gegeven dat, omdat ervan werd uitgegaan dat appellant op Curaçao woonde toen de melding binnenkwam en appellant gehoord zou moeten worden, er om praktische redenen voor is gekozen om de gewenste bankafschriften direct en rechtstreeks bij de banken op te vragen. Niet is in te zien dat het voor UWV niet mogelijk was om zijn gebruikelijke handelwijze te volgen. Nu gelet op het voorgaande sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant, moeten de uit de bankafschriften verkregen gegevens worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs.
Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:828) is het gebruik van (onrechtmatig) verkregen bewijs slechts dan niet toegestaan indien de daartoe verkregen bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is in dit geval sprake. Dit bewijs in rechte toelaten zou in dit geval neerkomen op een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De bankgegevens mogen niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Met toepassing van artikel 8:51d van de Awb zal UWV worden opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.