Rechtspraak
Bij besluit van 16 november 2012 brengt UWV appellant met ingang van
1 november 2012 in aanmerking voor een WW-uitkering. Deze uitkering wordt met ingang van 9 september 2013 beëindigd in verband met werkhervatting. Op 17 oktober 2013 valt appellant uit voor deze werkzaamheden en kent UWV hem een ZW-uitkering toe. Van 11 december 2013 tot en met 18 maart 2014 werkt appellant bij een bedrijf in Zwitserland. De eerder beëindigde WW-uitkering wordt vervolgens met ingang van 19 maart 2014 voortgezet. Met ingang van 22 april 2014 gaat appellant een dienstverband aan met een bedrijf in Zwitserland, zodat de WW-uitkering met ingang van 28 april 2014 wordt beëindigd. Het dienstverband met voornoemd bedrijf wordt op 30 september 2014 beëindigd. Op 20 oktober 2014 keert appellant terug naar Nederland wegens familieomstandigheden en op 28 oktober 2014 schrijft hij zich weer in bij een gemeente in Nederland. De vervolgens door appellant aangevraagde WW-uitkering wordt geweigerd. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is ten eerste de vraag of een nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan in Nederland op grond van de werkzaamheden die appellant heeft verricht in Zwitserland, een en ander in verband met het bepaalde in Verordening (EG) nr. 883/2004. Het debat spitst zich toe op de vraag of appellant zijn woonplaats in Nederland had. Met het begrip ‘woonplaats’ in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt gedoeld op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, of hij een vaste werkkring heeft, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Volgens de Raad volgt uit de feiten en omstandigheden dat appellant ten tijde van zijn vertrek naar Zwitserland de intentie had om daar voor onbepaalde tijd te gaan werken en wonen. Dat appellant in oktober 2014 naar Nederland is teruggekeerd was onvoorzien en hield uitsluitend verband met de tragische gebeurtenissen in zijn familie. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant geen eigen woonruimte in Nederland meer had. Gelet hierop kan appellant aan Verordening (EG) nr. 883/2004 geen aanspraak op een WW-uitkering ontlenen. Vervolgens moet worden beoordeeld of de WW-uitkering die op 28 april 2014 is geëindigd, kan herleven. Op grond van artikel 21 lid 3 WW is herleving slechts mogelijk indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden die tot dat eindigen hebben geleid niet langer is dan zes maanden. Nu in de onderhavige kwestie de periode tussen het eindigen van het recht en het vervallen van alle omstandigheden die tot het eindigen van het recht hebben geleid, langer dan zes maanden heeft geduurd, herleeft het recht op WW-uitkering niet. Het hoger beroep faalt.