Rechtspraak
Appellant gaat op 23 februari 2016 met BV per 1 maart 2016 een arbeidsovereenkomst aan voor de duur van zes maanden. Daarbij is een proeftijd van een maand overeengekomen. Appellant meldt zich per 1 maart 2016 ziek bij werkgever. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst per 9 maart 2016 opgezegd. Bij besluit van 31 mei 2016 weigert UWV om aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat de werkgever verplicht is om tijdens ziekte loon door te betalen. UWV verklaart het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. Daaraan legt UWV ten grondslag dat het met de werkgever van appellant overeengekomen proeftijdbeding nietig is en dat tijdens ziekte een opzegverbod geldt. De arbeidsovereenkomst is daarom volgens UWV niet rechtsgeldig beëindigd. Door niet tijdig de nietigheid van het proeftijdbeding in te roepen heeft appellant een benadelingshandeling gepleegd, die doorloopt tot en met de datum waarop het contract zou hebben gelopen, te weten 31 augustus 2016. Tot en met die datum komt appellant niet in aanmerking voor ziekengeld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Hiermee is immers een einde gekomen aan de loonbetalingsverplichting van een werkgever op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ter vervanging waarvan vervolgens ziekengeld wordt gevraagd. Sinds 1 januari 2015 luidt artikel 7:652, vierde lid, BW als volgt: ‘Er kan geen proeftijd worden overeengekomen indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor ten hoogste zes maanden.’ Nu partijen per 1 maart 2016 een arbeidsovereenkomst van niet meer dan zes maanden zijn aangegaan, konden zij niet rechtsgeldig een proeftijd overeenkomen. Onbetwist is verder dat appellant tijdens de opzegging ziek was, zodat het ontslag gegeven is in strijd met het in artikel 7:670 van het BW vastgelegde opzegverbod. Tevens is onbetwist dat appellant niet de nietigheid van dit ontslag heeft ingeroepen. UWV wordt gevolgd in het standpunt dat de onwetendheid en ziekte van appellant niet zijn aan te merken als deugdelijke grond als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de ZW, om na te laten verweer te voeren tegen zijn ontslag. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om zich op de hoogte te stellen van zijn rechten en verplichtingen. Niet is gebleken dat het voor appellant in de gehele periode tot 9 mei 2016 (het einde van de termijn waarbinnen hij zijn ontslag kon aanvechten) onmogelijk was dat te doen. UWV is er in het bestreden besluit dan ook terecht van uitgegaan dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd. Het hoger beroep slaagt niet.