Rechtspraak
Appellant treedt op 1 januari 2013 in dienst bij BV 1 in de functie van chief operating officer. BV 1 is onderdeel van een groep vennootschappen die zich bezighoudt met dienstverlening aan offshore olieplatforms, zoals het bieden van slaapruimte en het verzorgen van catering aan personeel dat werkzaam is op de platforms. Appellant heeft een salaris van € 13.750 bruto per maand en daarnaast 8% vakantietoeslag ontvangen. BV 1 wordt in staat van faillissement verklaard en nadat de arbeidsovereenkomst is opgezegd doet appellant een aanvraag tot overname van loonbetalingsverplichtingen. UWV honoreert de aanvraag en vergoedt het loon over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 november 2015, de vakantietoeslag over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 november 2015 en niet opgenomen vakantiedagen tot een bedrag van in totaal € 51.234,62. Appellant maakt bezwaar omdat de overige loonbestanddelen buiten beschouwing zijn gelaten. Volgens appellant is hij bij aanvang van zijn dienstverband met het management van BV 1 overeengekomen dat hij in de opstartfase van het bedrijf alleen het basissalaris en de vakantietoeslag zou ontvangen. De overige loonbestanddelen, waaronder de bonussen, de jaarlijkse salarisverhogingen en de vergoedingen voor pensioen, woonruimte, een auto, verzekeringen en vliegtickets, kon hij evenwel op elk gewenst moment opeisen bij BV 1. UWV stelt zich op het standpunt dat de vordering van appellant niet duidelijk is en aan gerede twijfel onderhevig is en dat appellant in feite afstand heeft gedaan van zijn vorderingen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling. Volgens vaste rechtspraak van de Raad komen vorderingen niet voor overneming op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking als zij niet duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet zijn en aan gerede twijfel onderhevig (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4326 en van 11 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1745). Nu appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW, ligt het in beginsel op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij recht heeft op overname van de loonbestanddelen zoals door hem gevorderd. De Raad meent dat er geen reden bestaat om te twijfelen aan de door appellant weergegeven feitelijke gang van zaken. Appellant heeft een kopie van het salarisvoorstel en de arbeidsovereenkomst al bij zijn aanvraag aan een buitendienstmedewerker van UWV overgelegd en zijn gedetailleerde verklaring vindt steun in de zich onder de gedingstukken bevindende e-mails. Het relaas van appellant wordt bovendien bevestigd door X in diens brief van 7 maart 2017. Hierbij is van belang dat X ten tijde van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst (indirect) bestuurder was van BV 1. X heeft ook schriftelijk bevestigd dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst hebben afgesproken dat appellant alleen het basissalaris en de vakantietoeslag kreeg uitbetaald, maar dat hij de overige loonbestanddelen, waaronder de bonussen, op elk gewenst moment (‘at any time’) kon opeisen. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat zijn vordering duidelijk aanwijsbaar, voldoende concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig is. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt.
De volgende bedragen komen voor overname op grond van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking: basisloon, vakantietoeslagen en niet opgenomen vakantiedagen, vergoedingen voor woonruimte, auto, ziektekostenverzekering en vliegtickets. Daarnaast had appellant recht op een aantal bonussen. De ‘sign on bonus’ komt niet voor vergoeding in aanmerking. Weliswaar waren er afspraken over de betaling van de sign on bonus over een periode die ook thans aan de orde is, maar daarmee is deze vordering niet toe te wijzen aan een periode bedoeld in artikel 64 van de WW (vergelijk de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1408). De ‘performance bonus’ komt wegens gerede twijfel niet voor overname in aanmerking. Appellant had ten slotte recht op een ‘special bonus’ van jaarlijks minimaal € 40.000 en maximaal € 120.000, voor het eerst eind 2013. Ofschoon in de arbeidsovereenkomst niet is uitgewerkt hoe de speciale bonus werd berekend, staat wel vast dat appellant ten minste recht had op een speciale bonus van € 40.000 per jaar. Daarom komt aan speciale bonus voor overname in aanmerking een bedrag van 19/52 maal € 40.000, zijnde € 14.615,38. UWV is vanaf 6 juni 2016 de wettelijke rente verschuldigd en wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.