Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen ‘tussendag’ vereist voor toepassing no-riskpolis 35-minners. 

Appellant weigert bij besluit van 12 januari 2015 om werknemer in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In dat besluit is onder meer vermeld dat de wachttijd zal duren tot en met 3 februari 2015, dat een nieuwe werkgever in aanmerking komt voor premiekorting als werknemer binnen vijf jaar na 4 februari 2015 in dienst treedt en dat werknemer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wanneer hij in de eerste vijf jaar van die dienstbetrekking ziek wordt. Werknemer treedt per 4 februari 2015 in dienst bij betrokkene. Op 8 juli 2016 valt hij uit wegens ziekte. UWV wijst de aanvraag voor een ZW-uitkering af. UWV meent dat uit artikel 29b ZW voortvloeit dat tussen het einde van de wachttijd (in het geval van werknemer is dat 3 februari 2015) en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking één dag moet liggen. Omdat werknemer niet op 5 februari 2015 maar op 4 februari 2015 bij betrokkene is begonnen, is volgens UWV niet aan die voorwaarde voldaan. Werknemer maakt tegen dit besluit bezwaar omdat hem in het besluit van 12 januari 2015 was toegezegd dat hij bij een nieuwe werkgever gedurende vijf jaar verzekerd zou zijn van een ZW-uitkering. In tegenstelling tot UWV acht de rechtbank het beroep gegrond. Volgens de rechtbank is het bij de invoering van de zogeheten no-riskpolis in artikel 29b, eerste lid, van de ZW de bedoeling van de wetgever geweest om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om ‘35-minners’ in dienst te nemen, ongeacht het tijdsverloop tussen einde wachttijd en indiensttreding zolang dat binnen vijf jaar valt.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De vraag die partijen verdeeld houdt betreft de uitleg van de woorden ‘na die dag’ in artikel 29b, eerste lid, onder b, onderdeel 4, van de ZW. De Raad kan zich verenigen met de door de rechtbank gegeven uitleg van het bovengenoemde onderdeel van artikel 29b van de ZW. Met de zinsnede ‘na die dag’ in het eerste lid, onder b, onderdeel 4, wordt geregeld wanneer de vijfjaarstermijn eindigt waarbinnen het dienstverband moet zijn aangevangen. De dag na het einde van de wachttijd is dan de eerste dag van de vijfjaarstermijn. De door appellant bepleite uitleg dat tussen het einde van de wachttijd en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking één dag moet liggen, vloeit niet (dwingend) voort uit de tekst van de bepaling. Deze uitleg past evenmin in de lijn van de bedoeling van de wetgever om het met de no-riskpolis aantrekkelijk te maken voor werkgevers om een dienstverband aan te gaan met de zogenoemde 35-minners. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling zijn voorts geen aanknopingspunten te vinden waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever bewust heeft willen kiezen voor de door appellant bepleite ‘tussendag’.

Uit het voorgaande blijkt dat noch de tekst, noch de strekking, noch de wetsgeschiedenis erop wijzen dat, zoals appellant betoogt, uit artikel 29b, eerste lid, onder b, onderdeel 4, van de ZW volgt dat voor toepassing van de no-riskpolis vereist is dat tussen het einde van de wachttijd en de aanvang van de nieuwe dienstbetrekking een dag moet liggen. De conclusie is dat de rechtbank een juist oordeel heeft gegeven. Het hoger beroep slaagt niet.