Rechtspraak
Appellante werkt vanaf 23 mei 2011 als manager in de kinderopvang voor 37 uur per week. Op 1 december 2013 vraagt appellante UWV om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De uitkering wordt toegekend. Naar aanleiding van een controle op het recht op WW-uitkering van appellante start UWV een onderzoek naar de verblijfplaats van appellante. Uit het onderzoeksrapport van 27 oktober 2016 volgt dat appellante vanaf 22 augustus 2014 anders dan wegens vakantie in het buitenland, namelijk in Gambia, verblijft. De WW-uitkering is vervolgens op verzoek van appellante per 26 september 2016 stopgezet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is of UWV terecht tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering van appellante is overgegaan op de grond dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te vermelden dat zij in het buitenland verbleef. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of er omstandigheden zijn op grond waarvan de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW buiten toepassing dient te blijven en of er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Verder is in geschil of de verzoeken om kwijtschelding en inkorting van de invorderingstermijn terecht zijn afgewezen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden door niet te melden dat zij in Gambia verbleef. Het ter zitting door appellante ingenomen standpunt, dat zij niet wist dat zij dit moest doorgeven en dat zij, toen zij dit wel wist, haar WW-uitkering heeft stopgezet, wordt niet gevolgd. Tevens wordt met de rechtbank geoordeeld dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia in de hier van belang zijnde perioden vanaf 1 januari 2015 op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht meer had op een WW-uitkering. De beroepsgrond dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de door haar genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3679) geen sprake is. Dat de ratio van de uitsluitingsgrond is dat iemand die verblijf houdt in het buitenland in het algemeen niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten in Nederland en dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia wel beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten maakt, wat daarvan ook zij, niet dat toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling uit de WW geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij in Gambia nuttig vrijwilligerswerk heeft verricht. De beroepsgrond dat UWV op grond van dringende redenen van terugvordering zou moeten afzien slaagt evenmin. Niet gebleken is dat appellante als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen.