Naar boven ↑

Rechtspraak

Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen zorgverlener en zorgbehoevende broer.

Appellant verleent in 2005, in 2007 en vanaf 1 juli 2008 zorg aan zijn broer, die een lichamelijke beperking heeft. Deze broer beschikt over een persoonsgebonden budget, waaruit appellant betaald wordt voor door hem verleende zorg, laatstelijk tegen een vergoeding van € 2.800 per maand. De betalingen aan appellant worden verricht door de Sociale verzekeringsbank (Svb). Bij beschikking van 15 december 2015 stelt de kantonrechter de broer onder curatele, met benoeming van appellant en beider moeder als curator. Bij beschikking van 12 oktober 2016 vernietigt het Gerechtshof Den Haag voornoemde beschikking, waarop doorhaling van de inschrijving van de curatele in het daarvoor aangewezen register wordt gelast. Appellant verleent in verband met een conflict met zijn broer sinds maart 2016 geen zorg meer aan zijn broer en ontvangt vanaf augustus 2016 geen loon meer. Op 27 december 2016 vraagt appellant per 1 augustus 2016 een WW-uitkering aan, die hem wordt geweigerd, onder meer omdat appellant in verband met de werkzaamheden voor zijn broer niet verzekerd was op grond van de WW. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Niet in geschil is dat appellant arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Uit vaste rechtspraak volgt dat ook in familieverhoudingen sprake kan zijn van een gezagsverhouding, wanneer de (vermeend) werkgever bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. In civielrechtelijke procedures is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geoordeeld dat tussen appellant en zijn broer geen sprake was van een gezagsverhouding en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst. Hoewel het feit dat de Svb loonheffing heeft ingehouden op het loon van appellant en premies WW/WIA heeft afgedragen, en het feit dat in Suwinet staat vermeld dat vanaf 1 juli 2008 sprake was van een arbeidsovereenkomst, weliswaar aanwijzingen vormen dat mogelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, zijn die afdracht en vermelding op zichzelf niet bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen. De Raad komt tot de slotsom dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf (in ieder geval) 1 juli 2008 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot zijn broer en werknemer is geweest in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. UWV heeft daarom op goede gronden besloten dat appellant per 1 augustus 2016 geen recht heeft op een WW-uitkering. Het hoger beroep faalt.