Rechtspraak
Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking; toegekende uitkeringen terecht teruggevorderd
Appellant is sinds 1 mei 2009 werkzaam bij een onderneming die zich bezighoudt met het financieren van vastgoedprojecten. Nadat deze onderneming failliet wordt verklaard, vraagt appellant een WW-uitkering (faillissementsuitkering) aan. UWV kent appellant deze uitkering toe over de periode 1 augustus 2014 tot en met 12 september 2014. UWV kent appellant ook een WW-uitkering toe per 15 september 2014, en kent – na een ziekmelding per 28 oktober 2014 – een ZW-uitkering per 15 december 2014 toe. In oktober 2014 ontvangt UWV drie interne meldingen over onder andere appellant, waarin aan de orde wordt gesteld of appellant wel werknemer was in de zin van de WW. Naar aanleiding van dit onderzoek stelt UWV vast dat voornoemde uitkeringen ten onrechte zijn toegekend, waarop UWV bedragen van respectievelijk € 26.709,95, € 26.296,33 en € 9.467,95 aan onverschuldigde uitkering van appellant terugvordert. Het bezwaar en beroep tegen deze besluiten zijn beide ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Bij de beantwoording van de vraag of een arbeidsverhouding is aan te merken als een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van het persoonlijk verrichten van arbeid en het betalen van loon. Zij zijn verdeeld over de vraag of sprake was van een gezagsverhouding. Onder de stukken bevindt zich geen overeenkomst per die datum waaruit de wil van partijen ten aanzien van de juridische kwalificatie van hun arbeidsverhouding blijkt. Ook anderszins is niet bekend (geworden) wat partijen voor ogen stond bij de aanvang van de arbeidsverhouding. Bij de beoordeling van de arbeidsverhouding komt het dan ook meer aan op de wijze waarop appellant en de onderneming uitvoering hebben gegeven aan de arbeidsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De rechtbank heeft daarbij terecht de onderlinge verwevenheid van de verschillende tot de groep van de onderneming behorende vennootschappen en stichtingen en de mate van zeggenschap van appellant daarin, ten grondslag gelegd aan de conclusie dat een gezagsverhouding ontbrak. In dat kader is relevant dat appellant van 17 december 2009 tot 12 februari 2014 enig bestuurder was van een van de tot de groep behorende stichtingen. Verder was appellant vanaf 18 december 2009 enig aandeelhouder en bestuurder van een vennootschap die blijkens het FIOD-rapport in hoge mate verweven was met de onderneming. Het hoger beroep faalt.