Rechtspraak
Bij beschikking van 31 juli 2014 van de Rechtbank Gelderland is BV X failliet verklaard. Appellant doet op 7 augustus 2014 bij het UWV (onder meer) een aanvraag om onder toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichting van BV X jegens hem over te nemen. De aanvraag wordt gehonoreerd. In oktober 2014 ontvangt UWV drie interne meldingen over onder andere appellant, waarin aan de orde is gesteld of appellant wel werknemer was in de zin van de WW. Begin 2015 ontvangt UWV het signaal dat de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) een strafrechtelijk onderzoek is gestart in verband met beleggingsfraude bij BV X. Het volledige strafrechtelijke onderzoek is ter beschikking gesteld aan UWV. UWV gebruikt relevante onderdelen daarvan in het onderzoek naar, onder andere, appellant en verricht aanvullend onderzoek, ook in de UWV-systemen. De resultaten van dit onderzoek legt UWV neer in een onderzoeksrapport van 2 december 2015. In dat rapport concludeert UWV dat aan ten minste één van de eerder genoemde voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst en een privaatrechtelijke betrekking in loondienst niet is voldaan: de werknemer staat in een gezagsverhouding met de werkgever. UWV stelt vast dat appellant ten onrechte een faillissementsuitkering heeft ontvangen en vordert het te veel betaalde terug.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat appellant arbeid heeft verricht voor BV X en dat sprake was van loonbetaling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant in een gezagsverhouding stond ten opzichte van BV X. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het UWV onweersproken gesteld dat per 13 februari 2014 geen rechtsgeldige benoeming van appellant als statutair bestuurder heeft plaatsgevonden, omdat een benoemingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van BV X ontbreekt. Beoordeeld dient te worden of appellant naar materiële maatstaven werkzaam is geweest in een gezagsverhouding ten opzichte van BV X . Onder de stukken bevindt zich geen overeenkomst per 12 maart 2009 waaruit de wil van partijen ten aanzien van de juridische kwalificatie van hun arbeidsverhouding blijkt. Ook anderszins is niet bekend (geworden) wat partijen voor ogen stond bij de aanvang van de arbeidsverhouding. Bij de beoordeling van de arbeidsverhouding komt het dan ook aan op de wijze waarop appellant en BV X uitvoering hebben gegeven aan de arbeidsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, bieden voldoende steun voor het standpunt van het UWV dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding en (dus) ook niet van een privaatrechtelijk dienstverband tussen appellant en BV X. Daarbij wordt met name waarde gehecht aan de door X en appellant tegenover de FIOD afgelegde verklaringen over onder meer de bedrijfsvoering en het vastleggen van de beloningen. Ook het feit dat appellant beschikte over een rekening-courantverhouding is een aanwijzing dat geen sprake was van een gezagsverhouding. Appellant heeft niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt dat het standpunt van UWV onjuist is.