Naar boven ↑

Rechtspraak

Einddatum WW-uitkering onjuist: beroep op vertrouwensbeginsel verworpen

Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat het besluit van UWV een onjuiste einddatum van de WW-uitkering bevatte: het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

Bij besluit van 21 december 2016 brengt UWV appellant van 12 december 2016 tot en met 11 juli 2017 in aanmerking voor een WW-uitkering. Bij besluit van 20 januari 2017 verleent UWV appellant toestemming om met behoud van zijn WW-uitkering werk te zoeken in Polen in de periode van 23 januari 2017 tot en met 11 april 2017. In dat besluit is verder vermeld dat de WW-uitkering na 11 april 2017 stopt. Op 11 mei 2017 vraagt appellant opnieuw een WW-uitkering aan, met als eerste werkloosheidsdag 11 april 2017. Bij besluit van 22 mei 2017 stelt UWV vast dat appellant in Nederland recht heeft op een WW-uitkering tot en met 11 april 2017 en dat de WW-uitkering in Polen wordt stopgezet. Bij besluit van 5 juni 2017 stelt UWV vast dat appellant per 12 april 2017 geen recht meer heeft op een WW-uitkering. Bij besluit van 9 juni 2017 trekt UWV het besluit van 21 december 2016 in en brengt UWV appellant met ingang van 12 december 2016 tot en met 11 april 2017 in aanmerking voor een WW-uitkering. Het bezwaar en beroep van appellant tegen het besluit van 9 juni 2017 zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen, welke lijn door de Raad is gevolgd. In deze lijn is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, wordt geheel onderschreven. Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij na 11 april 2017 geen recht meer had op een WW-uitkering. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat bij appellant geen sprake was van een onduidelijk arbeidsverleden en dat de uitkeringsduur van de WW-uitkering uit de wet blijkt. Daarnaast heeft de rechtbank van belang geacht dat het appellant uit het besluit van 20 januari 2017, waarin hem is meegedeeld dat zijn WW-uitkering na 11 april 2017 stopt, duidelijk moet zijn geworden dat in het besluit van 21 december 2016 een onjuiste einddatum van de WW-uitkering is opgenomen. Het hoger beroep faalt.