Rechtspraak
Koninklijke Wegener/werknemer
Werknemer (71 jaar) is sinds 1969 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Wegener. Een van de secundaire arbeidsvoorwaarden was dat 50% van de ziektekostenpremie na pensionering zou worden vergoed, mits de werknemer tot aan zijn pensionering deel zou nemen aan de vrijwillige collectieve ziektekostenverzekering (ZKV) van het bedrijf. Op 1 december 2003 is werknemer 65 jaar en daarmee pensioengerechtigd geworden. Vanaf diezelfde datum maakt werknemer aanspraak op de 'fiftyfiftyregeling'. Dit houdt in dat Wegener vanaf 1 december 2003 50% van de volledige premie ZKV levenslang aan hem zou blijven voldoen. In verband met de invoering van de nieuwe Zorgverzekeringswet heeft Wegener aan werknemer bericht dat zij op termijn afstand zou doen van de fiftyfiftyregeling. Vanaf 1 januari 2007 zou per jaar de tegemoetkoming met 20% worden afgebouwd. Werknemer stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ongeoorloofde eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden en vordert naleving van de oorspronkelijke overeenkomst. De kantonrechter oordeelt dat Wegener niet heeft aangetoond een zwaarwichtig belang te hebben bij afschaffing van de fiftyfiftyregeling; niet heeft aangetoond een voldoende zwaarwegende aanleiding te hebben tot (het doen van een voorstel gericht op) het afschaffen van de fiftyfiftyregeling; niet heeft aangetoond dat handhaven van de fiftyfiftyregeling jegens werknemer voor haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgt toewijzing van de vordering van werknemer. Tegen dit oordeel keert Wegener zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Gedurende de periode 1981 tot 2003 is de aanspraak van werknemer op de fiftyfiftyregeling gehonoreerd. Ook na diens pensionering heeft Wegener de regeling op hem toegepast en bij brief van 18 mei 2004 het recht van werknemer op een bijdrage in de premie van de ziektekostenverzekering bevestigd. Werknemer mocht aan deze omstandigheden, wat er ook zij van de ratio die in 1981 voor het in het leven roepen van de regeling heeft gegolden, naar het oordeel van het hof, gelet op het uitgangspunt dat Wegener trouw diende te zijn aan het gegeven woord, het vertrouwen ontlenen dat die aanspraak, behoudens bijzondere omstandigheden, levenslang gehonoreerd zou worden. Voor zover Wegener met de toets van artikel 7:611 BW heeft bedoeld te stellen dat er omstandigheden zijn die voor haar aanleiding kunnen vormen om aan werknemer een voorstel te doen om in te stemmen met een wijziging van hetgeen uit de fiftyfiftyregeling voortvloeit, overweegt het hof dat van enig voorstel van de kant van Wegener niet is gebleken, nu de brief van 9 maart 2006 niet als een voorstel kan worden gekwalificeerd. De inhoud van deze brief kan immers niet anders worden gezien dan als een besluit. De vraag of bedoeld artikel in het onderhavige geval toepassing kan vinden, kan daarom verder onbesproken blijven. Niet is gesteld of gebleken dat Wegener zich de bevoegdheid heeft voorbehouden om de fiftyfiftyregeling eenzijdig te wijzigen. De toets van artikel 7:613 BW is derhalve, gesteld al dat bedoeld artikel van toepassing zou zijn, niet aan de orde. Voor het slagen van een beroep op artikel 6:258 BW en/of artikel 6:248 lid 2 BW zal aan de zijde van Wegener sprake moeten zijn van omstandigheden die van dien aard zijn dat werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten dan wel van omstandigheden die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde nakoming onaanvaardbaar maken. Hoewel Wegener door de kantonrechter in zowel het tussenvonnis van 16 april 2008 als dat van 12 november 2008 is uitgenodigd om inzicht te geven in de belangen die Wegener ertoe nopen de fiftyfiftyregeling af te bouwen en te beƫindigen heeft Wegener dit inzicht niet verschaft. Ook in hoger beroep heeft zij dit nagelaten en volstaan met de stelling dat het ontvallen van de ratio aan de regeling (in 1991) en de invoering van de Zvw per 1 januari 2006 zwaarwichtige belangen vormen. Naar het oordeel van het hof verzuimt Wegener aldus te onderbouwen dat er omstandigheden zijn die zouden kunnen leiden tot een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW en/of artikel 6:248 lid 2 BW. De slotsom van hetgeen hierboven is overwogen moet zijn dat het hoger beroep in zoverre geen succes heeft. Wel dient nog aandacht geschonken te worden aan de stelling van Wegener dat de fiftyfiftyregeling uitsluitend recht geeft op betaling van 50% van de premie ziektekosten en derhalve geen grondslag biedt voor een bijdrage van 50% in het inkomensafhankelijke premiedeel dat over het pensioen en de AOW wordt geheven. Volgt aanhouding van de zaak.