Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 augustus 2011
ECLI:NL:GHLEE:2011:BR3961
’t Stokertje Kachelparadijs BV/werknemer
Werknemer is in dienst geweest van de vof. Op 1 april 2005 wordt de vof in een aantal rechtspersonen ingebracht, te weten in ieder geval ’t Stokertje Kachelparadijs B.V. en ’t Stokertje Beheer B.V. De kantonrechter oordeelde dat de inbreng in ’t Stokertje Beheer B.V. kon worden aangemerkt als zijnde een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW, zodat ook het concurrentiebeding (op grond van art. 7:663 BW) is overgegaan. De tweede overgang kon echter niet als een overgang in voornoemde zin worden aangemerkt, zodat het opnieuw schriftelijk had moeten worden overeengekomen. Tegen dit oordeel keert ’t Stokertje Kachelparadijs B.V. zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de kantonrechter acht het hof ook de tweede overgang, een overgang van onderneming ex artikel 7:662 BW. Van belang daarbij acht het hof dat de onderneming door ’t Stokertje Kachelparadijs B.V. is voortgezet. Voor zover het vermogensbeheer al is ondergebracht bij ’t Stokertje Beheer B.V. oordeelt het hof dat dit geen bedrijfsactiviteit van ’t Stokertje vof was.
Werknemer heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij onjuist en of onvolledig is geïnformeerd over zijn rechten bij een overgang van onderneming, zodat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. Het hof stelt in dit verband voorop dat de eisen van goed werkgeverschap meebrengen dat het op de weg van de werkgever ligt om zijn werknemers voldoende te informeren over de in verband met de overgang van de onderneming te maken keuzes en om hen volledig voor te lichten omtrent hun rechtspositie en de geldende wettelijke bepalingen (art. 7:663 BW) en (eventuele) cao-bepalingen bij overgang van de onderneming. Als de werkgever daarin tekort schiet, dan is hij jegens de werknemer(s) schadeplichtig. Nu zowel ’t Stokertje vof als ’t Stokertje Beheer B.V. die plicht als werkgever hebben verzaakt, waren zij beide schadeplichtig jegens werknemer indien deze ten gevolge van de verminderde solvabiliteit van zijn (nieuwe) werkgever in een ongunstiger positie zou zijn komen te verkeren. Tegen die achtergrond kan werknemer niet volhouden dat het concurrentiebeding alleen ten gevolge van die verminderde solvabiliteit zwaarder is gaan drukken, wat er overigens van dat argument ook zij. Voor het overige heeft werknemer onvoldoende gesteld waaruit zou (kunnen) blijken dat sprake is van een ‘zwaarder drukken’.