Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Pantar Amsterdam
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 december 2011
ECLI:NL:GHAMS:2011:BX7873

werknemer/Stichting Pantar Amsterdam

Functie-indeling WSW-werkgever niet onredelijk, ondanks (tot tweemaal toe) andersluidend advies van de bezwarencommissie functiewaardering. Binnen de grenzen van de cao komt de werkgever beoordelingsvrijheid toe

Werknemer is sinds 1 januari 1996 werkzaam bij Pantar op basis van een indicatie als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de sociale werkvoorziening (WSW). De CAO voor de sociale werkvoorziening (hierna: de cao) is van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Pantar. De functie van werknemer is chauffeur trekker/oplegger. Deze functie is blijkens een functieomschrijving van 18 april 1997 ingedeeld in loongroep D2. Artikel 25 (thans artikel 23) van de cao bepaalt dat de indeling van functies naar loonschalen plaatsvindt aan de hand van het systeem van functiewaardering als opgenomen in bijlage 2 bij de cao. In bijlage 2 is het functiewaarderingssysteem, ook wel het FC/SW-systeem genoemd, beschreven. Het betreft een puntensysteem, waarbij onder meer in de categorie arbeidsomstandigheden punten worden toegekend aan de aspecten ‘atmosfeer’ en ‘persoonlijk risico’. Bij een puntentotaal van 245 tot en met 279 volgt indeling in loonschaal D2, boven een totaal van 280 punten volgt indeling in loonschaal E. De functie van werknemer is, op zijn verzoek, in mei 2007 opnieuw beschreven en gewaardeerd. Daarbij is aan het aspect ‘atmosfeer’ 15 punten toegekend en aan het aspect ‘persoonlijk risico’ 5 punten. Het puntentotaal kwam daarmee op 270, zodat de indeling van de functie ongewijzigd bleef. De bezwarencommissie heeft geoordeeld dat deze punten anders gewaardeerd hadden moeten worden en adviseert een totaalscore van 285 punten. Werknemer heeft gevorderd dat hij in functie E zou worden ingeschaald. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Voorop staat dat de werkgever, als degene die de functie-indeling verricht, binnen de grenzen van het toepasselijke functiewaarderingssysteem een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De rechter heeft derhalve slechts te beoordelen of de werkgever binnen deze grenzen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het geschil is in dit verband beperkt tot het aantal toe te kennen punten op de aspecten ‘atmosfeer’ en ‘persoonlijk risico’. Naar het oordeel van het hof heeft Pantar de grenzen van het redelijke niet overschreden. Dat de bezwarencommissie, ingesteld door de cao-partijen, heeft geadviseerd tot een andere puntentoekenning dan door Pantar is gehanteerd, maakt echter nog niet dat Pantar niet in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen. Uit de stukken blijkt voorts dat Pantar heeft gemotiveerd waarom zij van dat advies is afgeweken. De bezwarencommissie heeft Pantar bij brief van 9 april 2008 nogmaals laten weten dat zij meent dat het besluit niet op goede gronden is genomen. Wat er verder zij van de betekenis van die brief, hiervoor is reeds overwogen dat Pantar niet buiten de grenzen van het functiewaarderingssysteem is getreden en in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen. De inhoud van genoemde brief maakt dat niet anders. De brief van 30 september 2008 van het Technisch Overleg Sociale Werkvoorziening (TOSW), een interpretatiecommissie van de cao-partijen, noopt evenmin tot een ander oordeel. Daarin wordt immers slechts meegedeeld, voor zover van belang, dat het TOSW van oordeel is dat uit de cao-tekst blijkt dat alleen het FC/SW-systeem moet worden toegepast bij de functiewaardering.