Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer-dga/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid
Hoge Raad, 8 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY4465

werknemer-dga/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid

Pensioenfonds heeft ex artikel 17 Pensioen- en spaarfondsenwet een vergaande informatieplicht bij beëindiging van de pensioenregeling en mogelijke (vrijwillige) voortzetting van de regeling. De kenbare persoonlijke en financiële gevolgen zijn van belang bij de invulling van de zorgplicht van het pensioenfonds

Werknemer (geboren 1946) is sinds 2006 dga van X BV. Stichting Vroegpensioenfonds heeft de bij haar aangesloten dga’s, werkzaam in de bouwnijverheid, een brief gedateerd maart 2006 doen toekomen, waarin werd medegedeeld dat de bestaande vroegpensioen- en VUT-regelingen met ingang van 1 januari 2006 waren vervallen. Tevens werd in die brief de dga’s de mogelijkheid geboden vrijwillig deel te nemen in de ouderdomspensioenregeling met nieuwe aanvullingsregeling van Bpf Bouw. Deelname maakt vervroegde uittreding mogelijk, onder de voorwaarde dat tevens zal worden deelgenomen aan de aanvullende regeling van VUT-Stichting. De brief vermeldt ook de voorwaarde dat voor alle regelingen premie wordt betaald. Indien men wenste deel te (bllijven) nemen aan deze regeling moest voor 1 mei 2006 de brief geretourneerd worden. In deze zaak gaat het enerzijds om de beëindiging – door de rechtsvoorgangers van het pensioenfonds – van een verplichtgestelde vroegpensioen- en VUT-regeling en anderzijds om het aanbod (met vervaltermijn) van het pensioenfonds tot vrijwillige deelname in een ‘vervangende’ pensioenregeling. De gewezen deelnemer stelt dat hij de brief waarin zowel de mededeling van de beëindiging als het aanbod tot deelname wordt gedaan, niet heeft ontvangen. Wanneer hij anderhalf jaar later (ruim na het verstrijken van de vervaltermijn) alsnog wil deelnemen in de vervangende regeling, wordt hem deelname geweigerd. De zaak draait met name om de vraag of het pensioenfonds had mogen volstaan met verzending van een niet-aangetekende brief. Volgens werknemer miskent het hof hiermee de informatieplicht ex artikel 17 Pensioen- en spaarfondsenwet.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Artikel 17 PSW bepaalt onder meer dat het bestuur van een pensioen- of spaarfonds de deelnemers schriftelijk op de hoogte dient te stellen van wijzigingen in de geldende statuten en reglementen van het fonds. Het artikel strekt ertoe dat belanghebbenden inzicht wordt verschaft in hun pensioenpositie opdat zij zo nodig zelf aanvullende voorzieningen kunnen treffen (Kamerstukken II 1992/93, 23 123, nr. 3, p. 10). Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof terecht met de stelling dat de afschaffing van de regeling die in de statuten en reglementen is vervat, juist de meest verstrekkende wijziging van die statuten en reglementen vormt die denkbaar is en bij uitstek van invloed is op de pensioenpositie van de belanghebbenden. Uit hetgeen Bpf Bouw heeft gesteld, volgt bovendien dat de Stichting Vroegpensioenfonds ook daadwerkelijk de regelingen heeft beëindigd door een wijziging van het reglement. Hiermee ontvalt de grondslag aan de motivering die het hof heeft gegeven voor zijn oordeel dat de beëindiging van de regeling geen aanleiding behoefde te zijn de brief van maart 2006 op zodanige wijze te verzenden dat deze met zekerheid werknemer zou bereiken.