Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16 april 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8554
Royal Bank of Scotland/werknemer
Werknemer was van 6 november 2006 tot 30 april 2010 in dienst van RBS, laatstelijk als ‘Associate’. Tussen partijen staat vast dat op de arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is. Aansluitend is werknemer in dienst getreden van Parcom Capital Management B.V., onderdeel van ING. In dit geding vordert werknemer een verklaring voor recht dat RBS tegenover hem geen gebruik mag maken van bepaling 6.4 uit het Deferral Plan en dat hij een onvoorwaardelijk recht heeft op de bonus over 2009 ter grootte van € 35.373 bruto. In artikel 6.4 van het plan is bepaald dat indien een werknemer vrijwillig ontslag neemt en in dienst treedt bij een concurrent, de nog niet gevestigde aanspraken op de bonus vervallen.
Het hof oordeelt als volgt. De kantonrechter was van mening dat artikel 6.4 van het plan kan worden beschouwd als een 653-bepaling. Dit acht het hof onjuist. De uitbetaling van de bonus is niet onvoorwaardelijk toegezegd. Gezien de bepalingen van het plan, in het bijzonder artikel 6.4.1, komt werknemer voor uitbetaling van (de opeisbare gedeelten van) de bonus in aanmerking tenzij hij op het moment van het opeisbaar worden voor en/of in dienst van een concurrent van RBS (waaronder hier en hierna begrepen: een van de andere leden van de RBS Group) werkzaamheden zou verrichten. De stelling van werknemer dat hem door niet-uitbetaling van (een gedeelte van) de bonus op grond van dergelijke werkzaamheden een sanctie wordt opgelegd (te weten het mislopen van € 35.373) is onjuist, namelijk gebaseerd op de eveneens onjuiste – en de aard van de onderhavige bonus miskennende – gedachte dat de uitbetaling van de bonus onvoorwaardelijk zou zijn toegezegd. Voor de goede orde wordt hierbij aangetekend dat niet is gesteld of gebleken dat het RBS op zichzelf niet vrijstond om aan de uitbetaling van de (discretionaire) bonus voorwaarden te verbinden. Tegen deze achtergrond kan (artikel 6.4.1 van) het plan niet als een beding in de zin van artikel 7:653 BW worden aangemerkt. Werknemer werd hierdoor immers niet beperkt om na het einde van de arbeidsovereenkomst van partijen op zekere wijze werkzaam te zijn.
In casu is het niet toekennen van de bonus evenwel in strijd met artikel 7:611 BW, omdat werknemer in het geheel niet is gehoord en onduidelijk is op welke gronden RBS mocht menen dat Parcom een concurrent van RBS is.