Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 april 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365
Rijksuniversiteit Groningen/Abvakabo FNV
In deze zaak staat de vraag centraal of de zogenoemde promotiestudent/bursaal een arbeidsovereenkomst heeft met de RUG. Een bursaal is niet aangesteld als ambtenaar, maar ontvangt een beurs om vervolgens binnen een gestelde termijn dissertatieonderzoek te verrichten. De bursaal dient zich aan het promotieplan te houden, ontvangt periodiek een beurs en heeft een werkplek inclusief personeelsnummer aan de RUG. De kantonrechter heeft de vorderingen van FNV (namens de bursalen) toegewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Onder verwijzing naar HR 28 juni 1996, NJ 1996, 711, stelt de RUG dat in casu het opleidingselement zwaarder is dan de productieve arbeid die uit deze opleidingsovereenkomst voortvloeit. Het hof verwerpt dit standpunt. De onderhavige casus is namelijk niet vergelijkbaar met het in voornoemd arrest berechte geval, waarin het immers ging over een leerovereenkomst als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen. De aard van die op de praktijk gerichte leerovereenkomst brengt juist mee, aldus de Hoge Raad, dat de leerling geleidelijk (meer) productieve arbeid voor de patroon zal verrichten. Dat is hier niet aan de orde. Nu ook sprake is geweest van ‘loon’ (de periodieke beurs) is voldaan aan artikel 7:610a BW.
Het hof oordeelt evenwel dat de partijbedoeling is geweest het aangaan van een ‘opleidingsovereenkomst’ en geen arbeidsovereenkomst. Hoewel de partijbedoeling niet doorslaggevend is, is het wel van belang bij de kwalificatie van de overeenkomst. Ook wat de gezagsverhouding betreft, acht het hof in casu geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Bursalen zijn aanmerkelijk vrijer in de keuze van het onderwerp en de werkwijze. Hoewel ook zij gebonden zijn aan een promotieplan en tijdspad, verschilt dit niet wezenlijk van een student die een scriptie schrijft in de BA-MA-opleiding. Op grond van hetgeen in geding is gesteld acht het hof voldoende aannemelijk dat de promotiestudent/bursaal – binnen de grenzen van hetgeen wetenschappelijk verantwoord is – in het algemeen een behoorlijke mate van vrijheid heeft in zijn keuze voor het onderwerp van zijn onderzoek. Een tweetal nog niet benoemde maar niet onbelangrijke verschillen is nog dat de intellectuele eigendomsrechten van het proefschrift bij de promotiestudenten/bursalen berusten (vgl. HR 14 april 2006, LJN AU9722) en dat de promotiestudenten/bursalen niet verplicht zijn onderwijs te geven, aldus het hof. Dat sommige promotiestudenten/bursalen niettemin onderwijs geven, wil nog niet zeggen dat zulks de facto een verplichting zou zijn.
Samenvattend is het hof van oordeel dat de bedoeling van zowel RUG als bursalen was gericht op het aangaan van een verbintenis waarbij eerstgenoemde partij zich verplicht tot een zo goed mogelijke begeleiding van de promotiestudent/bursaal bij de uitvoering van zijn wetenschappelijk onderzoek en het schrijven van zijn proefschrift en dat laatstgenoemde zich ertoe heeft verbonden zich naar beste weten en kunnen in te zetten voor het bewerkstelligen van een academische promotie, en dat deze verbintenissen over en weer conform de partijbedoeling zijn uitgevoerd. In de feitelijke omstandigheden van de bursalen, voor zover zij hierover concrete stellingen hebben betrokken en/of onderbouwd, ziet het hof, alle hierboven beschreven kenmerken van de rechtsverhouding in onderling verband bezien, geen grond voor het oordeel dat tussen RUG en bursalen de voor een arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsrelatie bestaat.