Rechtspraak
Rechtbank Gelderland, 4 oktober 2013
ECLI:NL:RBGEL:2013:4259
RT/Raiffeisen Touristic Netherlands B.V./werknemer
Werknemer is per 1 februari 2003 in dienst getreden bij Thomas Cook Travel Shops. In de arbeidsovereenkomst is in artikel 15 een geheimhoudingsbeding opgenomen. Op 30 september 2011 zijn partijen een vaststellingsovereenkomst overeengekomen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst is beëindigd per 1 januari 2012. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen elkaar finale kwijting verleend. Thans vordert RT (als rechtsopvolger van Thomas Cook) betaling van een boete van € 169.342 wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding. Daartoe wordt aangevoerd dat werknemer als zelfstandig reisagent op 21 juni 2013 een e-mail heeft verstuurd naar potentiële klanten, waaronder klanten van RT. Na overlegging van het klantenbestand door werknemer bleek dat hij 697 klantcontacten van RT heeft benaderd. Hiermee schendt werknemer het geheimhoudingsbeding en handelt hij onrechtmatig, aldus RT.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voldoende vast is komen staan dat partijen zijn overeengekomen dat het geheimhoudingsbeding uit artikel 15 van toepassing blijft nadat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd. Aan het beroep van werknemer op de finale kwijting wordt voorbijgegaan. Artikel 15.2 van de arbeidsovereenkomst bepaalt het volgende: ‘Bij het einde van deze arbeidsovereenkomst dient werknemer onmiddellijk aan werkgeefster ter beschikking te stellen al hetgeen hij van en/of met betrekking tot werkgeefster gelieerde ondernemingen onder zich heeft gekregen (stukken, (klant)gegevens, goederen, computerbestanden, etc).’ Nu RT onweersproken heeft gesteld dat werknemer de klantgegevens van RT heeft gebruikt voor de verzending van zijn e-mail van 21 juni 2013, heeft werknemer het geheimhoudingsbeding geschonden.
Werknemer zou op grond van artikel 15.3 een boete verschuldigd zijn van € 454 per dag ‘onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling van volledige schadevergoeding aan werkgeefster (…)’. Ingevolge artikel 7:651 BW is een beding waarbij een werkgever boete kan heffen en voor hetzelfde feit tevens schade kan vorderen nietig. Derhalve is de kantonrechter van oordeel dat werknemer op grond van die nietigheid niet veroordeeld kan worden tot betaling van de bedongen boete. Nu nietigheid van voornoemd beding niet ter sprake is gekomen tijdens de comparitie, worden partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten bij akte.