Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 december 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:4781
Albayrak/Centraal Orgaan opvang asielzoekers en prof. X
De onderhavige zaak is het vervolg op een serie van uitspraken over de non-actiefstelling en uiteindelijk het ontslag van Albayrak (AR 2011-0877; AR 2012-0044; AR 2012-0303; AR 2013-0442; AR 2013-0441). In deze procedure staat de vraag centraal of prof. X – een van de leden van de onderzoekscommissie – een beroep op zijn (functioneel) verschoningsrecht toekomt in het kader van het afleggen van verklaringen die derden in vertrouwen aan de onderzoekscommissie hebben afgelegd over het vermeend privégebruik van de dienstauto en het agendabeheer door Albayrak. Na enige correspondentie en instemming van de betrokken derden, heeft prof. X uiteindelijk te kennen gegeven afstand te doen van zijn beroep op dit verschoningsrecht. Desalniettemin heeft Albayrak bij de kantonrechter een verklaring voor recht gevorderd dat ‘de onderzoekscommissie’ geen verschoningsrecht toekomt. Deze vordering is afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt voorop dat uitsluitend natuurlijke personen als getuige kunnen optreden. Het vonnis van de kantonrechter van 4 oktober 2013 heeft dan ook uitsluitend betrekking op het beroep op het verschoningsrecht dat door prof. X is gedaan. De vordering die ertoe strekt dat het hof bepaalt dat het de onderzoekscommissie niet is toegestaan een beroep te doen op een (functioneel) verschoningsrecht kan op deze gronden niet slagen. Voor zover Albayrak heeft bedoeld te vorderen dat wordt bepaald dat de individuele leden van de onderzoekscommissie geen beroep op een verschoningsrecht toekomt, ziet zij eraan voorbij dat slechts de beslissing van de kantonrechter over het door prof. X gedane verschoningsrecht aan de orde is. Het hof zal de vordering, met prof. X en het COA, dan ook aldus begrijpen dat deze betrekking heeft op het door hem op 4 september 2013 gedane beroep op het verschoningsrecht.
Voor het antwoord op de vraag of prof. X een beroep op zijn verschoningsrecht toekomt, en in hoeverre Albayrak daar belang bij heeft, is niet relevant dat hij afstand heeft gedaan met betrekking tot de verklaringen van bij naam genoemde derden. Albayrak kan in de loop van de procedure belang hebben bij het horen van prof. X zelf. Derhalve is de vordering niet zonder belang. Een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van een functioneel verschoningsrecht is dat er voor de getuige een geheimhoudingsplicht bestaat. Het hof stelt vast dat in het instellingsbesluit is neergelegd dat de onderzoekscommissie ‘vertrouwelijk’ zal omgaan met de informatie die zij ontvangt. Het vertrouwelijk omgaan met informatie is iets anders dan het betrachten van geheimhouding. Het hof aanvaardt niet de opvatting dat deze vertrouwelijkheid impliceert dat prof. X gehouden is tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn hoedanigheid van lid van de onderzoekscommissie ter kennis is gekomen. Daar komt het volgende bij. De grondslag van een eventuele geheimhoudingsplicht van prof. X is niet gelegen in een wet in formele zin, althans heeft prof. X zich daarop niet beroepen. Het instellingsbesluit verwijst naar de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Die wet definieert in artikel 1 onder b een commissie als een bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of bij ministerieel besluit ingestelde commissie. Deze wet bepaalt niet dat de leden van een dergelijke commissie gehouden zijn tot geheimhouding. De door de kantonrechter en partijen aangenomen verplichting tot geheimhouding is dus uitsluitend gebaseerd op de daartoe strekkende aanwijzing van de minister en het eigen protocol van de onderzoekscommissie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1999 (NJ 2001/42) volgt dat bij stilzwijgen van de wet een functionele geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren verschoningsrecht uitsluitend kunnen worden aanvaard indien en voor zover moet worden aangenomen (1) dat met het effectief kunnen uitoefenen van het desbetreffende beroep zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, (2) dat de gerede mogelijkheid bestaat dat zonder het aanvaarden van de desbetreffende geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren verschoningsrecht deze laatste belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad en (3) dat voor dit laatste de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte, moeten wijken. Het hof onderkent daarbij dat het in algemene zin voor de werkzaamheden van onderzoekscommissies van belang kan zijn dat deze in een zekere vertrouwelijkheid worden uitgevoerd. Gedurende het onderzoek zal op die vertrouwelijkheid niet snel inbreuk kunnen worden gemaakt. Wanneer er evenwel, zoals ook in dit geval, in rechte wordt gestreden over beslissingen die (mede) zijn gebaseerd op de conclusies van het onderzoek, hebben de belangen die zijn gemoeid met deze vertrouwelijkheid te wijken voor de belangen die zijn gemoeid met de waarheidsvinding in rechte.