Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Stichting Epafras
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22 oktober 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3476

X/Stichting Epafras

Opdrachtnemer geen BBA-werknemer ex artikel 1 sub b onder 2 BBA omdat hij zich door meer dan twee anderen (niet zijnde bloedverwanten) laat bijstaan. Uitleg ‘BBA-helper’. Bezoldiging helper niet relevant

Epafras houdt zich bezig met hulpverlening van Nederlandse gedetineerden in het buitenland. Ten behoeve van die gedetineerden brengt Epafras vier keer per jaar het blad ‘Gezant uit Nederland’ uit in een oplage van 3000 exemplaren. Vanaf december 2005 heeft Epafras X opdracht verstrekt tot het vervaardigen van voornoemd blad. Epafras heeft de relatie met X per 1 januari 2010 beëindigd. X stelt zich op het standpunt dat de relatie tussen hem en Epafras een arbeidsverhouding is in de zin van artikel 1 sub b onder 2 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) en dat Epafras de relatie niet rechtsgeldig heeft beëindigd (want zonder toestemming daartoe van het UWV WERKbedrijf verkregen te hebben). Epafras heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevraagd dat van een arbeidsverhouding als door X gesteld geen sprake is geweest. Volgens de kantonrechter liet X zich bij de werkzaamheden door meer dan twee helpers bijstaan, zodat geen sprake kan zijn van een BBA-werknemer.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de opdracht van Epafras volgt dat X het blad ‘Gezant uit Nederland’ moest realiseren. De stelling van X dat hij de eindredactie deed en voor die taken niet werd bijgestaan, geeft een onjuiste opvatting van de opdracht. Het gaat er dus om of ten aanzien van het volledige product, X zich door meer dan twee anderen (niet zijnde gezinsleden) liet bijstaan. Niet in geschil is dat in de periode dat X het blad produceerde ten minste de volgende personen – naast X zelf – bijdragen voor het blad aanleverden: striptekenaar A, sportjournalist B, een ex-gedetineerde genaamd C en de advocaten D en E, later opgevolgd door E/F, als schrijvers van een pastorale bijdrage. X betaalde voornoemde B eerst € 50 en later € 60 per bijdrage ‘uit eigen zak’. De andere genoemde personen leverden hun bijdragen kosteloos. Het hof volgt X niet in zijn stellingname dat voor het zijn van ‘helper’ in de zin van artikel 1 sub b onder 2 BBA noodzakelijk is dat betrokkene voor zijn werkzaamheden wordt betaald. Noch in de tekst noch in de ratio van de bepaling (die beoogt – naast de werknemer in de zin van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek – een ‘werknemer-achtige’ te definiëren) ziet het hof aanleiding tot een zodanige (verstrekkende) aanvullende eis voor de inwerkingtreding van de in genoemde bepaling omschreven, hier besproken uitzonderingssituatie. X heeft nog aangevoerd dat een aantal van de genoemde personen niet door hem waren aangezocht om bijdragen te leveren, maar uit de koker van Epafras kwamen. Ook dat acht het hof in dit kader niet van belang. Kennelijk maakte dit onderdeel uit van de aan X verstrekte opdracht en het doet aan het feit dat X werd bijgestaan bij het vervullen van die opdracht (het vervaardigen/produceren van het blad) niet af. Dit zou mogelijk anders zijn als X in staat zou zijn geweest de bijdragen op de desbetreffende gebieden zelf te schrijven, hij dit aan Epafras voorgelegd zou hebben en Epafras hem dit geweigerd zou hebben, maar een en ander is gesteld noch gebleken. Op grond van het vorenstaande komt ook het hof tot het oordeel dat X geen werknemer is in de zin van het BBA.