Naar boven ↑

Rechtspraak

Sneller/Das
Hoge Raad, 21 februari 2014
ECLI:NL:HR:2014:396

Sneller/Das

Verzekeringsnemer van rechtsbijstandsverzekeraar heeft recht op vrije advocaatkeuze, ook als de gerechtelijke procedure niet verplicht is (i.c. een kennelijk onredelijk ontslag). De voorwaarde dat een advocaat slechts dan ingezet mag worden indien de rechtsbijstandsverzekeraar van mening is dat het aan een externe rechtshulpverlener mag worden uitbesteed, is in strijd met de richtlijn. Beperkingen aan de hoogte van de vergoedingen zijn wel toelaatbaar.

(Vervolg op arrest HvJ EU AR 2013-0884.) Sneller heeft een rechtsbijstandsverzekering gesloten bij Reaal Schadeverzekeringen NV. De verzekeringsovereenkomst bepaalt dat DAS is aangewezen als de vennootschap die de dekking van de rechtsbijstand uitvoert. In deze overeenkomst is tevens bedongen dat zaken worden behandeld door de eigen medewerkers van DAS. Indien een zaak echter krachtens de overeenkomst of naar de mening van DAS aan een externe rechtshulpverlener uitbesteed moet worden, heeft de verzekerde het recht een advocaat of deskundige naar eigen keuze aan te wijzen. Sneller wil tegen zijn voormalige werkgever een gerechtelijke procedure om schadevergoeding voeren omdat die hem kennelijk onredelijk heeft ontslagen. Daartoe wil hij zich laten bijstaan door een door hemzelf gekozen advocaat, waarbij zijn rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van die rechtsbijstand zou moeten dragen. DAS heeft ermee ingestemd dat Sneller een gerechtelijke procedure voert, maar heeft gesteld dat de door Sneller gesloten overeenkomst in een dergelijk geval geen dekking biedt voor de kosten van rechtsbijstand door een advocaat naar keuze van de verzekerde. DAS is daarom slechts bereid om zelf rechtsbijstand aan Sneller te verlenen door middel van een eigen werknemer, die geen advocaat is. Sneller heeft tot aan de Hoge Raad vergoeding van de advocaatkosten gevorderd. De Hoge Raad heeft het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen gesteld. Het Hof heeft geantwoord dat artikel 4 lid 1 onder a van Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandsverzekering, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandsverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed. Voor de beantwoording van deze vraag maakt het geen verschil of rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EU volgt dat de onderdelen 1 en 2 van het middel terecht aanvoeren dat het recht op vrije keuze van een rechtshulpverlener niet afhankelijk is van een besluit van de rechtsbijstandsverzekeraar dat de zaak door een externe rechtshulpverlener zal worden behandeld. Die onderdelen slagen dan ook in zoverre. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling. Nu reeds in eerste aanleg vaststond dat DAS instemde met het voeren van een procedure voor de kantonrechter, had het hof de primaire vordering van Sneller moeten toewijzen. Uit het antwoord van het HvJ EU op de tweede prejudiciële vraag volgt dat daartoe – anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen – geen debat behoefde plaats te vinden over de vraag of Sneller het recht had zich door een advocaat te laten bijstaan in een procedure waarbij procesvertegenwoordiging niet verplicht is. Voorts heeft DAS niet gesteld dat zij met Sneller beperkingen van de te vergoeden kosten is overeengekomen als bedoeld in het arrest van het HvJ EU.