Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 8 oktober 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:12254
Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers/werkneemster
(Vervolg AR 2013-0442.) Werkneemster is op 1 maart 2001 voor onbepaalde tijd bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) in dienst getreden als concerndirecteur P&O. Sinds 2004 krijgt zij een dienstauto met chauffeur ter beschikking. Werkneemster is, hangende een onderzoek naar haar salaris en vergoedingen binnen het COA op non-actief gesteld. Het Hof Den Haag heeft op 10 januari 2012 een tweede non-actiefstelling opgeheven (zie AR 2011-0877 en AR 2012-0044). Partijen zijn vanaf 23 januari 2012 met elkaar in gesprek geweest over de tenuitvoerlegging van het arrest. Afgesproken is dat werkneemster afziet van werkhervatting per 1 maart 2012 en geen aanspraak maakt op dwangsommen in de periode 1 maart 2012 tot 1 april 2012. Een voorgestelde verlenging van deze periode is door werkneemster afgewezen. Op 1 april 2012 is zij opnieuw voor de duur van twee weken op non-actief gesteld. Deze periode is daarna nog met twee weken verlengd. Op 20 april 2012 heeft het COA het dienstverband met werkneemster met ingang van 23 april 2012 onregelmatig opgezegd. Centrale vraag is thans of het COA dwangsommen heeft verbeurd doordat het in gebreke is gebleven te voldoen aan het arrest van het Hof Den Haag. Het COA stelt dat zich na het arrest nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die een nieuwe op non-actiefstelling rechtvaardigden en dat met die op non-actiefstelling de werking aan het arrest is komen te ontvallen. Werkneemster daarentegen stelt dat deze nieuwe op non-actiefstelling (en de verlenging daarvan en het ontslag) misbruik van recht van het COA oplevert, omdat het doel hiervan was te ontkomen aan het rechterlijk bevel tot wedertewerkstelling. Op het COA rust de bewijslast van de stellingen ten aanzien van (het verhullen van) het privégebruik van de dienstauto. De rechtbank heeft het COA toegelaten tot het leveren van bewijs dat – na het arrest, maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 – sprake was van feiten en omstandigheden van zodanige aard dat het COA met recht zijn vertrouwen in de integriteit van werkneemster heeft verloren.
Gelet op de afgelegde getuigenverklaringen, de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder het Hoffmann-rapport en de daarin opgenomen getuigenverklaringen van B en A, is de rechtbank van oordeel dat het COA is geslaagd in het bewijs dat het COA – kort gezegd – in de periode na het arrest maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 met recht zijn vertrouwen in de integriteit van werkneemster heeft verloren. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat het COA heeft bewezen dat werkneemster op drie meest in het oog springende punten in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit die mogen worden gesteld aan een algemeen directeur in de publieke dienst. Verwezen wordt naar de onderdelen (i), (ii) en (iii): het doen van onware mededelingen aan de minister, het verhullen van privégebruik van de dienstauto en het betrekken van ondergeschikten daarbij. De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, maar ook reeds op zichzelf, van zodanig gewicht dat zij de op non-actiefstelling van werkneemster rechtvaardigen. Dit oordeel brengt verder mee dat het door COA geleverde bewijs met betrekking tot de onder (iv) gestelde omstandigheid (het zonder toestemming gebruikmaken van chauffeursdiensten voor privédoeleinden door werkneemster) geen bespreking meer behoeft. Dit geldt evenzeer voor het door werkneemster op dit punt geleverde bewijs ten aanzien van de gestelde toestemming voor die privéritten. Voor recht wordt verklaard dat het COA geen dwangsommen heeft verbeurd.