Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 8 oktober 2014
ECLI:NL:RBDHA:2014:12283
werkneemster/Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers
Vervolg AR 2013-0441. Werkneemster is op 1 maart 2001 voor onbepaalde tijd bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) in dienst getreden als concerndirecteur P&O. Sinds 2004 krijgt zij een dienstauto met chauffeur ter beschikking. Werkneemster is, hangende een onderzoek naar haar salaris en vergoedingen binnen het COA op non-actief gesteld. Het Hof Den Haag heeft op 10 januari 2012 een tweede non-actiefstelling opgeheven (zie AR 2011-0877 en AR 2012-0044). De vraag die in de onderhavige procedure centraal staat is of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Het COA heeft aan het gegeven ontslag per 23 april 2012 een twaalftal redenen ten grondslag gelegd waarvan het stelt dat deze ieder op zichzelf en tezamen met één of meer andere redenen het gegeven ontslag rechtvaardigen. De kantonrechter heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de twaalfde ontslaggrond (de weigering van de minister om werkneemster te benoemen) op zichzelf gezien objectief een ontslag rechtvaardigt, maar dat in het onderhavige geval ook moet worden gekeken naar de andere ontslaggronden waarop het ontslag berust, en wel ter beoordeling van de vraag of deze zijn te scharen onder valse redenen in de zin van artikel 7:681 BW. Voorts heeft de kantonrechter geconcludeerd dat indien en voor zover vervolgens komt vast te staan dat de verwijten aan het adres van werkneemster aangaande de dienstauto terecht zijn, dit zonder meer een ontslag rechtvaardigt. Aan het COA is een bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de volgende door het COA aangevoerde ontslaggronden: het verstrekken van onjuiste informatie omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden, het verhullen van het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden waarbij ondergeschikten zijn betrokken, het gebruikmaken van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden en het verstrekken van onjuiste informatie hierover aan de pers.
Op basis van de processen-verbaal, in onderling verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde documenten, acht de kantonrechter bewezen dat werkneemster – in strijd met de waarheid – diverse malen ten overstaan van leden van de raad van toezicht, (medewerkers van het departement van) de minister en leden van de Onderzoekscommissie COA heeft verklaard dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Voorts acht de kantonrechter ook bewezen dat werkneemster heeft verhuld dat zij de dienstauto voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten (haar chauffeur en haar secretaresse) heeft betrokken. Dit is – in aanmerking nemend de aard van de functie die werkneemster bij het COA bekleedde – dermate verwijtbaar, dat deze omstandigheden zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien, het door het COA aan werkneemster gegeven ontslag rechtvaardigen. Aan werkneemster als bestuurder van een publiek orgaan mogen immers, zoals reeds in het tussenvonnis van 5 juni 2013 is overwogen, zeer strenge eisen worden gesteld ten aanzien van (onder meer) integriteit. Voornoemde handelwijze past een integer handelend bestuurder niet. De overige ontslaggronden alsook de daarmee verband houdende overige bewijsopdrachten van het COA en werkneemster behoeven aldus geen nadere bespreking meer. Ook als zou komen vast te staan dat een van deze overige redenen vals zou zijn dan wel op zichzelf of in onderling verband met andere omstandigheden het ontslag niet zouden kunnen dragen, dan doet dat immers geen afbreuk aan het oordeel dat het COA gegronde redenen had zoals hiervoor vermeld om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen. Het ontslag is niet kennelijk onredelijk op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a BW. Voorts faalt ook het beroep op het gevolgencriterium. De onmiskenbaar nadelige gevolgen van het ontslag dienen in dit geval voor rekening van werkneemster te blijven nu de belangen van het COA bij de opzegging zwaarder wegen. Er bestaat ook geen grond voor toekenning van een contractuele beëindigingvergoeding van € 352.253,41, omdat sprake is van ‘ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer’. De reden voor het ontslag ligt volledig in de risicosfeer van werkneemster. Tot slot wordt ook de door werkneemster gevorderde immateriële schadevergoeding afgewezen.