Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 2 december 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:10277
Stichting het Juridisch Loket/werknemer
Werknemer is sinds 2000 in dienst van het Juridisch Loket als Algemeen Loketmedewerker. Op 1 augustus 2012 is de arbeidsovereenkomst beëindigd met wederzijds goedvinden. Daarvoor hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten op basis waarvan werknemer een vergoeding heeft ontvangen op basis van 50% van de kantonrechtersformule. In dit geding ligt (in eerste aanleg) voor de vraag of werknemer aanspraak heeft op wachtgeld overeenkomstig artikel 6 lid 4 van de CAO Rechtsbijstand en meer in het bijzonder of sprake is van vermindering of beëindiging van de werkzaamheden dan wel reorganisatie van het Juridisch Loket, ten gevolge van maatregelen c.q. het nalaten daarvan door het ministerie van (thans) Veiligheid en Justitie (hierna: het ministerie). De kantonrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord, een daartoe strekkende verklaring voor recht gegeven en heeft het Juridisch Loket veroordeeld tot nakoming van de wachtgeldregeling. Het verweer van het Juridisch Loket dat werknemer in elk geval geen aanspraak op de wachtgeldregeling toekomt omdat zij geweigerd heeft een passende functie te aanvaarden, zoals als weigeringsgrond is vervat in artikel 2 lid 2 Bijlage II bij de voormelde cao, heeft de kantonrechter verworpen. Artikel 6 lid 4 van de cao luidt als volgt: ‘Aan de werknemer, waarmee het dienstverband door de werkgever wordt beëindigd, vanwege vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, dan wel vanwege reorganisatie of fusie van de organisatie van de werkgever, ten gevolge van maatregelen c.q. het nalaten daarvan door het Ministerie van Justitie wordt een wachtgeld toegekend volgens de bepalingen in de uitvoeringsregeling Wachtgeld (bijlage II) (…).’
Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer stelt, dient artikel 6 lid 4 cao aldus te worden uitgelegd dat de aanleiding tot reorganisatie of verval van functie moet zijn veroorzaakt door het ministerie van Justitie. Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat van een maatregel als hier bedoeld dient te worden uitgegaan. Immers, het Juridisch Loket spreekt zelf meermaals in de van haar afkomstige interne stukken over een ‘maatregel’ in verband met het ministerie. Het hof verwijst in het bijzonder naar de inleiding van het plan van aanpak, waar onder 1 uitdrukkelijk over ‘maatregel’ wordt gesproken als bedoeld wordt de Maatregel Diagnose en Triage: ‘Met deze maatregel van Diagnose en Triage beoogt het ministerie de rol van het Juridisch Loket als voorziening voor eerstelijns rechtshulp te versterken.’ Het hof stelt vast dat het causaal verband tussen de twee relevante gebeurtenissen loopt over verschillende schijven; het ministerie wil bezuinigen op de gefinancierde rechtshulp, zoekt daarvoor mogelijkheden en alternatieven, vindt deze bij het Juridisch Loket die in dat verband – om de te verwachten grotere instroom op te vangen – extra juristen wil inzetten en dat ten koste laat gaan van de ALM’ers waarmee de functie (deels) vervalt en wordt gereorganiseerd. Er vervallen daarmee ook geen arbeidsplaatsen maar alleen bepaalde functies; het staat immers vast dat door het extra budget van het ministerie een groter aantal juristen is aangenomen dan er aan ALM’ers is afgevloeid. Dat er in tijd sprake was van een samenval van het besluit van het Juridisch Loket om de voormelde functie deels op te heffen met het uitvoeren van de Ministeriële Maatregel Diagnose &Triage, zoals werknemer heeft aangevoerd, moge op zichzelf juist zijn maar dit brengt niet een voldoende rechtstreeks causaal verband mee. De maatregel was weliswaar de aanleiding voor de opheffing van de functie en het ontslag van het Juridisch Loket, maar niet de oorzaak. Of het voornemen van het Juridisch Loket reeds vanaf 2006 gericht was op de opheffing van de functie van de ALM’ers, zoals het Juridisch Loket heeft benadrukt, kan daarmee in het midden blijven.