Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:428
Autoster, Automotive BV/Hendriks
(Vervolg op HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7775, AR 2008-0773 (Autoster).) Hendriks is op 22 juli 1998 een ongeval overkomen toen hij van de werkplek naar huis reed. Hij bestuurde toen een aan zijn werkgever toebehorende autoambulance. Hendriks was ten tijde van het ongeval gerechtigd over de ambulance te beschikken omdat hij toen fungeerde als nooddienstmedewerker. Een werknemer die nooddienst had, diende dag en nacht telefonisch bereikbaar te zijn en wanneer een inzet was vereist, diende hij zich met de ambulance zo spoedig mogelijk naar de plaats van inzet te begeven. Om de tijd te besparen die het zou kosten om eerst vanaf het eigen woonhuis te rijden naar de garage van Autoster, namen sommige medewerkers na afloop van hun werkzaamheden de ambulance mee naar huis. Autoster heeft daartegen in de loop der jaren nimmer bezwaar gemaakt. Ten tijde van het ongeval was geen sprake van een noodoproep. Bij de Hoge Raad stond de vraag centraal of Hendriks in de ‘uitoefening van zijn functie’ was ten tijde van het verkeersongeval. Naar het oordeel van de Hoge Raad had het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het gebruik van de autoambulance op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Wat partijen na verwijzing nog verdeeld hield was de vraag of Autoster alleen gehouden is de schade te vergoeden die voortvloeit uit het niet-afsluiten van een adequate verzekering (stelling Autoster) of voor alle schade (stelling Hendriks). Het hof oordeelde bij tussenarrest (AR 2014-0354) dat het de schade die voortvloeide uit het niet-afsluiten van een adequate verzekering betrof. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak verwezen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over, kort gezegd, de vraag wat op 22 juli 1998 een adequate verzekering zou zijn geweest volgens de toen heersende maatschappelijke opvattingen.
Het hof oordeelt thans als volgt. Het hof begrijpt de stellingen van Autorster aldus, dat nu uit het onderzoek van prof. J.G.C. Kamphuisen blijkt dat voor taxichauffeurs het risico niet verzekerbaar was, dat zeker ook heeft te gelden voor de werknemers in de automobielbranche, omdat het bestuurdersrisico moeilijk (en wellicht zelfs nog moeilijker dan in de taxibranche) verzekerbaar is. Daartoe heeft Autoster aangevoerd dat voor al deze bestuurdersactiviteiten kenmerkend is dat de aandacht van de bestuurder meestal niet volledig is gericht op het deelnemen aan het verkeer en dat de bestuurder niet vertrouwd is met het bestuurde motorvoertuig. Het hof kan niet uitsluiten dat Autoster die stelling terecht heeft ingenomen, maar ziet thans onvoldoende aanleiding om die stelling zonder nader onderzoek door een deskundige voor waar aan te nemen. Daarin verschillen de werkzaamheden van werknemers in de automobielbranche te veel van die van werknemers in de taxibranche. Voorts is in dit verband van belang dat Autoster wel degelijk een SVI had afgesloten op de peildatum. Dat doet de vraag rijzen waarom de dekking beperkt was tot fl. 5.000, en of Autoster, juist omdat zij wel degelijk een SVI had afgesloten, geen aanleiding had moeten zien om een SVI met een hogere dekking af te sluiten. Beide partijen stellen met een beroep op de SVI dat geen nader onderzoek nodig is. De daaraan door partijen verbonden conclusies staan evenwel lijnrecht tegenover elkaar. Volgens Hendriks was een SVI mogelijk en had deze zijn schade volledig gedekt. Volgens Autoster was een SVI ongebruikelijk op de peildatum, zodat de vordering van Hendriks dient te worden afgewezen. Het hof kan niet op basis van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken voor het ene of het andere standpunt kiezen. Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen en zal daarom een deskundige benoemen.