Naar boven ↑

Rechtspraak

Maxwell Holding c.s./Vestavia c.s.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 mei 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1676

Maxwell Holding c.s./Vestavia c.s.

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij vorderingen uit onrechtmatige concurrentie jegens ex-bestuurder/werknemer. Aanhouding van de zaak in afwachting van arrest HvJ EU over vraag of vorderingen uit onrechtmatige daad (art. 5 EEX-Vo.) zich verzetten tegen regel arbeidsovereenkomst (art. 18 jo. 20 EEX-Vo.).

Na het overlijden van vader zijn de drie kinderen aandeelhouder geworden van Maxwell Holding. X, een van de drie kinderen, was bestuurder. Over de wijze waarop het familiebedrijf na het overlijden van vader diende te worden voortgezet zijn meningsverschillen ontstaan tussen X aan de ene kant en Y en Z aan de andere kant. X heeft vervolgens zijn arbeidsovereenkomst per 1 april 2008 opgezegd. In juni richt hij Vestavia op, een bedrijf dat zich net als Maxwell bezighoudt met afstandsonderwijs. Volgens Y en Z pleegt X, althans Vestavia, een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatige concurrentie of wanprestatie. X is woonachtig in Duitsland.

Het hof oordeelt als volgt. In dit verband dienen zich diverse vragen aan ten aanzien van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (voor zover het de vordering op X betreft). Uit de artikelen 18 tot en met 21 EEX-Vo. volgt dat in zaken betreffende individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst de vordering van de werkgever slechts kan worden gebracht voor het gerecht van de lidstaat waar de werknemer woonplaats heeft. Artikel 5 punt 1 onder a) respectievelijk artikel 5 punt 3 EEX-Vo. hebben betrekking op vorderingen inzake respectievelijk verbintenissen uit overeenkomst en verbintenissen uit onrechtmatige daad. Als eerste ligt de vraag voor of artikel 20 in verbinding met artikel 18 EEX-Vo. zich ertegen verzet dat artikel 5 punt 1 of artikel 5 punt 3 EEX-Vo. van toepassing is, nu X niet alleen als bestuurder van Maxwell Holding wordt aangesproken, maar ook op grond van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met Maxwell Holding. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dient vervolgens te worden beoordeeld of een van de bevoegdheidsregels uit artikel 5 punt 1 en artikel 5 punt 3 EEX-Vo. of beide voor toepassing in aanmerking komt/komen en zo ja, tot welke uitkomst dit leidt. Nadat partijen hun laatste akte hebben genomen, heeft de Hoge Raad een voor de beantwoording van deze vragen relevant arrest gewezen: HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:164. Ook in die procedure was sprake van een in Duitsland woonachtige vennootschapsbestuurder, die zowel in zijn hoedanigheid van bestuurder werd aangesproken op onbehoorlijke taakvervulling of onrechtmatig handelen als op grond van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met de vennootschap. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad voor zover hier van belang het volgende overwogen: ‘3.8.1 De beoordeling van de hiervoor in 3.6 bedoelde klachten noopt in de eerste plaats tot beantwoording van de vraag naar de verhouding tussen de bevoegdheidsbepalingen van afdeling 5 van hoofdstuk II (art. 18-21) EEX-Vo enerzijds en de bevoegdheidsbepalingen die zijn neergelegd in art. 5, aanhef en onder 1 (a), en art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo anderzijds. Meer in het bijzonder rijst de vraag of afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo zich ertegen verzet dat art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo toepassing vindt in een geval als het onderhavige, waarin de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten. 3.8.2 Ter inleiding van deze vraag dient dat naar Nederlands recht onderscheid wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap (uit hoofde van schending van zijn vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling krachtens art. 2:9 BW dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW) en de afgezien van deze hoedanigheid op die persoon rustende aansprakelijkheid als werknemer van die vennootschap (uit hoofde van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 BW). 3.8.3 Op grond van punt 13 van de considerans van de EEX-Vo dient (onder meer) in het geval van een arbeidsovereenkomst de zwakke partij te worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels. Dit uitgangspunt pleit voor een uitleg van de EEX-Vo waarbij afdeling 5 van hoofdstuk II zich verzet tegen toepassing van art. 5, aanhef en onder 1 (a), dan wel art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, indien – of althans voor zover – de verweerder niet alleen in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen door die vennootschap wordt aangesproken, maar ook afgezien van deze hoedanigheid door die vennootschap wordt aangesproken op grond van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die tussen hem en die vennootschap is gesloten. Steun voor deze uitleg kan voorts worden gevonden in HvJEU 22 mei 2008, zaak C-462/06 (Glaxosmithkline/[partij]), ECLI:NL:XX:2008:BD7181, Jur. 2008, p. I-3965, NJ 2009/393, waarin is beslist dat de bevoegdheidsregel van art. 6, aanhef en onder 1, EEX-Vo geen toepassing kan vinden in geschillen die vallen binnen het toepassingsgebied van afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo. 3.8.4 De hiervoor in 3.8.1 bedoelde vraag laat zich niet zonder redelijke twijfel beantwoorden, zodat de Hoge Raad deze vraag aan het HvJEU zal voorleggen. 3.9.1 Indien de hiervoor in 3.8.1 bedoelde vraag aldus moet worden beantwoord dat afdeling 5 van hoofdstuk II EEX-Vo zich niet ertegen verzet dat de rechter toepassing geeft aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo dan wel aan art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, rijst vervolgens de vraag of een van deze bevoegdheidsregels dan wel beide bevoegdheidsregels voor toepassing in aanmerking komt respectievelijk komen in een geval als het onderhavige, voor zover een vennootschap een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel op grond van onrechtmatig handelen. 3.9.2 Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo pleit dat het begrip “verbintenissen uit overeenkomst” autonoom moet worden uitgelegd en – blijkens HvJEU 2 maart 1983, zaak 34/82 ([partij]/ZNAV), ECLI:NL:XX:1983:AC7911, Jur. 1983, p. 987, NJ 1983/644 – onder meer ziet op verbintenissen die hun grondslag hebben in de tussen een (privaatrechtelijke) vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding. Dit biedt steun aan een uitleg waarbij ook de tussen een bestuurder en de door hem bestuurde vennootschap bestaande verbintenissen, in het bijzonder de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, worden aangemerkt als “verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo 3.9.3 Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo pleit dat de vordering waarmee een vennootschap haar bestuurder aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatig handelen, niet wezenlijk verschilt van een vordering uit hoofde van delictuele aansprakelijkheid, hetgeen zou meebrengen dat de hieruit voortvloeiende verbintenissen worden aangemerkt als “verbintenissen uit onrechtmatige daad” als bedoeld in art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo. 3.9.4 Nu de hiervoor in 3.9.1 bedoelde vraag zich evenmin zonder redelijke twijfel laat beantwoorden, zal de Hoge Raad deze vraag eveneens aan het HvJEU voorleggen. 3.10.1 Indien in een geval als het onderhavige toepassing kan worden gegeven aan art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo, rijst ten slotte de vraag welke de plaats is “waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd”. Bij toepassing van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, in een geval als het onderhavige rijst de vraag welke de plaats is “waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”. 3.10.2 Het ligt voor de hand om als “verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt” in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo aan te merken de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, en om als plaats van uitvoering hiervan aan te merken de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, EEX-Vo. 3.10.3 Voorts ligt voor de hand om als “het schadebrengende feit” in de zin van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo aan te merken de gestelde onbehoorlijke taakvervulling dan wel het gestelde onrechtmatig handelen van de bestuurder, en om als plaats waar deze onbehoorlijke taakvervulling respectievelijk dit onrechtmatig handelen zich heeft voorgedaan aan te merken – overeenkomstig hetgeen hiervoor in 3.10.2 is overwogen – de plaats waar de bestuurder zijn vennootschapsrechtelijke taak heeft vervuld of had dienen te vervullen, hetgeen in de regel zal zijn de plaats van het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de betrokken vennootschap, een en ander als bedoeld in art. 60 lid 1, aanhef en onder b en c, EEX-Vo. 3.10.4 De Hoge Raad zal ook deze vragen aan het HvJEU voorleggen.’

In het licht van bovenstaand arrest en gezien HvJ EU 13 maart 2014 inzake C-548/12 (m.b.t. de verordeningsconforme uitleg van ‘verbintenissen uit overeenkomst’, r.o. 25 en 26), alsook gelet op de samenhang tussen alle onderhavige vorderingen, overweegt het hof voorshands om de zaak in zijn geheel aan te houden, in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie EU van de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen (bij het Hof van Justitie EU in behandeling onder nummer C-47/14). Zoals hierboven al overwogen, is voor de beoordeling van alle vorderingen van Maxwell Holding c.s. immers allereerst de gestelde handelwijze van X tegenover Maxwell Holding relevant. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat onzeker is of de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen. Het hof wil partijen in de gelegenheid stellen zich over het voorgaande uit te laten. Daarnaast ziet het hof ook aanleiding voor bespreking van andere mogelijkheden, waaronder alsnog een eventuele forumkeuze, het beproeven van een minnelijke regeling of een verwijzing naar mediation.