Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 30 oktober 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:7087
CSU Personeel B.V./werkneemster
Werkneemster heeft vanaf 10 april 1999 schoonmaakwerkzaamheden verricht in hotel X. Zij is op 1 maart 2009 in dienst getreden bij CSU. De laatste functie die werkneemster vervulde, is die van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing (hierna: de cao). Werkneemster heeft steeds in hotel X schoonmaakwerkzaamheden verricht. Zij heeft zich op 25 april 2014 arbeidsongeschikt gemeld na een val op het werk. CSU heeft werkneemster laten weten dat zij, na afloop van haar zwangerschapsverlof, niet meer welkom is bij hotel X omdat er problemen zijn in de samenwerking. In de periode na het verlof heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat werkneemster kan hervatten in aangepast werk. CSU verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel e of g of h BW. CSU stelt daartoe dat het (niet) handelen van werkneemster sinds meerdere maanden wordt gekenmerkt door een onwelwillende en negatieve houding en opstelling richting CSU. Werkneemster weigert haar re-integratieverplichtingen (art. 7:660a BW) na te komen en ook een loonstop of het deskundigenoordeel hebben haar niet op andere gedachten gebracht. SCU stelt verder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en geen transitievergoeding verschuldigd is. Werkneemster voert verweer tegen het ontbindingsverzoek, verzoekt om toekenning van de transitievergoeding en loondoorbetaling vanaf 2 april 2015. Volgens haar is de loonstop per 2 april 2015 ongegrond.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten van werkneemster alsook van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen en dat dit zodanig is dat van CSU in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (e- en g-grond). De kantonrechter neemt daarbij allereerst als vaststaand aan dat werkneemster na haar zwangerschapsverlof en daarop volgende arbeidsongeschiktheid (tot 27 oktober 2014) niet meer kon werken in hotel X. Uitgaande van de beƫindiging van het werken in hotel X heeft CSU in het kader van de re-integratie van werkneemster passend ander werk aangeboden, zijnde schoonmaakwerkzaamheden op een vakantiepark. Werkneemster heeft, mede gelet op het deskundigenoordeel, (meermalen) ten onrechte geweigerd om de opgedragen re-integratiewerkzaamheden te verrichten omdat deze te zwaar/niet passend zouden zijn. Er is een redelijke grond voor ontbinding. Het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW staat daaraan niet in de weg omdat het verzoek van CSU geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van werkneemster maar met haar weigering om passend, door CSU aangeboden werk te verrichten. Naast het verwijtbaar handelen door werkneemster is er sprake van een arbeidsconflict dat niet geheel los kan worden gezien van de discussie tussen partijen over vooral het werken op vrijdag. CSU kon dat in redelijkheid niet van werkneemster verlangen, gelet op de kosten voor de kinderopvang. Daarom is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van werkneemster en heeft zij recht op de transitievergoeding. Voor een loonstop per 2 april 2015 bestond geen grond, immers op dat moment stond niet vast dat werkneemster zonder deugdelijke grond passende arbeid niet verrichtte. Dit staat wel vast vanaf 13 juli 2015, zoals werkneemster ook min of meer toegeeft. De vordering tot betaling van loon per 2 april 2015 wordt daarom toegewezen voor de periode tot en met 13 juli 2015.