Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 1 mei 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:1922
Federatie Nederlandse Vakvereniging (FNV)/Waterhuizen B.V. c.s.
Feiten
Op een scheepswerf in Waterhuizen worden schepen gefabriceerd door een bedrijf dat bekend staat onder de naam Pattje. Bij de scheepsfabricage zijn Waterhuizen B.V. c.s. betrokken (geweest). Gedaagde sub 2 is enig aandeelhouder en bestuurder van Waterhuizen B.V. Enig aandeelhouder en bestuurder van Pattje is Beatrice Holding B.V., waarvan gedaagde sub 2 enig aandeelhouder en zelfstandig bestuurder is. Op 2 juli 2018 heeft FNV met Pattje een schriftelijke overeenkomst gesloten met daarin afspraken over een aantal bepalingen uit de cao. Omdat Pattje de afspraken volgens FNV niet nakwam, heeft FNV Pattje in oktober 2018 in kort geding gedagvaard. In dat kort geding is Pattje onder meer veroordeeld tot nakoming van de afspraken in de overeenkomst. Pattje heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft daar nog niet op beslist. Hoewel de kantonrechter het kortgedingvonnis uitvoerbaar bij voorraad had verklaard, heeft Pattje daar geen gevolg aan gegeven. FNV vordert in onderhavig kort geding dat ook de (andere) besloten vennootschap bedoelde afspraken dient na te komen.
Oordeel
De kantonrechter gaat aan het beroep van Waterhuizen c.s. op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden dan wel dwaling voorbij, omdat als uitgangspunt geldt dat deze door ‘de benadeelde’ moet worden ingeroepen. Dat zijn Waterhuizen c.s. niet. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de tussen FNV en Pattje gemaakte afspraken ook gelden voor het personeel dat (mogelijk) voor Waterhuizen B.V. werkt. De uitleg wat is overeengekomen in de overeenkomst van 2 juli 2018 dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Uit de overeenkomst van 2 juli 2018 blijkt dat deze is gesloten ‘onder de verklaring van gedaagde sub 2 dat de uitzendkrachten uit bijgevoegde lijst bijlage 1 en de werknemers uit bijgevoegde bijlage 2, werkzaam zijn bij Pattje Waterhuizen als zzp'er’. Als uitgangspunt geldt daarom dat FNV er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het gaat om personen die voor Pattje werkzaam zijn. Waterhuizen c.s. stellen dat er niemand voor Pattje werkzaam is of is geweest en dat Pattje een lege vennootschap is en dus zonder enige activiteit. Dat rijmt echter niet alleen niet met het voorgaande, ook is opmerkelijk dat Pattje dit kennelijk niet in de vorige kortgedingprocedure aan de orde heeft gesteld. Gedaagde sub 2 doet voorkomen dat hij niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken is geweest, dat het ‘voorwerk’ is gedaan door zijn toenmalige compagnon en dat hij de overeenkomst in feite blind heeft getekend toen deze aan hem werd voorgelegd. De kantonrechter acht dit echter ongeloofwaardig. Waterhuizen c.s. hebben voorts aangevoerd dat de afspraken zijn gemaakt voor toekomstige werknemers van Pattje en door haar ingeleende uitzendkrachten en zzp'ers. Dat dit het geval is, blijkt echter niet uit de door partijen in het geding gebrachte stukken. Integendeel. In de considerans in de overeenkomst staat namelijk dat partijen met de uitvoering van afspraken 'een streep zullen zetten onder de discussie over de door FNV geconstateerde cao-nalevingsproblemen'. Ook staat in de overeenkomst dat ter compensatie van onderbetaling 'in het verleden' de nader genoemde werknemers vanaf 1 juli 2018 een netto maandelijkse bijdrage in de kosten van huisvesting zullen ontvangen. Hieruit volgt overduidelijk dat de afspraken (mede) zien op de arbeidskrachten die al op de scheepswerf werkzaam waren. Als het zo is dat het betreffende personeel ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet voor Pattje maar voor Waterhuizen B.V. werkzaam was, had gedaagde sub 2 FNV er op zijn minst op moeten wijzen dat het ging om personeel dat voor Waterhuizen B.V. werkzaam was. Omdat gedaagde sub 2 dat heeft nagelaten en door middel van ondertekening van de overeenkomst zelf(s) heeft verklaard dat het personeel bij Pattje werkzaam was, kunnen Waterhuizen c.s. niet aan FNV tegenwerpen dat zij een overeenkomst met een verkeerde partij hebben gesloten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter moet de overeenkomst dan ook aldus worden uitgelegd dat de afspraken betrekking hebben op al het externe personeel dat op de scheepswerf werkzaam was. De vordering om Waterhuizen B.V. te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst ligt voor toewijzing gereed. Niet staat vast of gedaagde sub 2 bewust heeft verzwegen dat het externe personeel niet voor Pattje werkzaam was maar voor Waterhuizen B.V. De vorderingen uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Dat geldt allereerst voor de nakoming van de overeenkomst van 2 juli 2018 en verder ook voor de vordering tot betaling van de verbeurde dwangsommen.