Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 27 februari 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:1856
Feiten
Werknemer is op 1 november 1996 in dienst getreden bij werkgeefster. De laatste functie die hij vervulde, is die van autospuiter en plaatwerker. Op 20 maart 2019 heeft werkgeefster het bedrijfspand verkocht, waarbij de beoogde leveringsdatum 1 augustus 2019 is. Het UWV heeft bij besluit van 12 juli 2019 aan werkgeefster toestemming gegeven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen. Daarbij heeft het UWV onder meer overwogen dat de stelling van werknemer dat er te weinig stukken zijn verstrekt waaruit de bedrijfsbeëindiging blijkt, niet wordt onderschreven. Met de verkoopakte, de ontbinding van de vennootschap en de opzegging van het contract met het beveiligingsbedrijf is de bedrijfsbeëindiging aannemelijk gemaakt, aldus het UWV. Werkgeefster heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst opgezegd en aan werknemer een transitievergoeding betaald van € 29.074,59. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat werkgeefster bij de ontslagaanvraag een valse en/of voorgewende reden heeft aangevoerd, dan wel dat een redelijke grond voor opzegging ontbreekt en werkgeefster daarvan een ernstig verwijt is te maken. Voorts verzoekt werknemer toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:682 lid 1 sub b BW van bijna € 200.000. Werknemer voert daartoe aan dat gebleken is dat werkgeefster de onderneming heeft voortgezet in een andere rechtsvorm.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:699 lid 3 sub a BW. Vast staat dat het bedrijf voorafgaand aan de verkoop en levering van het bedrijfspand beschikte over een ruimte waarin plaats was voor in- en verkoop van auto’s, reparaties en spuitwerkzaamheden (een spuitcabine). Verder staat vast dat de bedrijfsruimte op of omstreeks 1 augustus 2019 is geleverd aan een ander bedrijf en dat nadien in het bedrijfspand geen bedrijf wordt geëxploiteerd dat ziet op reparaties van auto’s en/of spuitwerkzaamheden. Het enkele feit dat er nog enkele voertuigen van een vennoot van werkgeefster in het voormalige bedrijfspand stonden, is onvoldoende om aan te nemen dat de onderneming van werkgeefster niet gedeeltelijk is beëindigd. Het is verder voldoende vast komen te staan dat de werkzaamheden van werknemer grotendeels hebben bestaan uit het spuit- en plaatwerk. Dat werknemer daarnaast bijsprong bij het assisteren bij monteurswerk maakt dat niet anders. Na de verkoop van het bedrijfspand is de spuitcabine door de koper verwijderd. Dat betekent dat er hoe dan ook geen ruimte is om de werkzaamheden van werknemer uit te oefenen. Dit deel van de onderneming is opgehouden te bestaan. Ook uit de opzegging van de verzekeringen en de website kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de onderneming van werkgeefster niet in zijn vroegere omvang is voortgezet. Gesteld noch gebleken is dat het spuit- en plaatwerk door de eenmanszaak van de vennoot van werkgeefster is overgenomen. Uit niets blijkt overigens dat een derde partij (onderdelen van) het bedrijf van de werkgeefster heeft willen overnemen. Werkgeefster heeft genoegzaam aangetoond dat er geen belangstelling bestond voor een overname van het bedrijf of onderdelen daarvan. De vennoot van werkgeefster heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij door wilde gaan met de in- en verkoop van auto’s. In verband met zijn leeftijd is het alleszins begrijpelijk dat hij het monteurswerk niet langer wilde doen maar wel nog actief wilde blijven in de handel. Uit de stukken valt af te leiden dat de voortgezette activiteiten marginaal zijn. De activiteiten van werkgeefster zijn dan ook grotendeels beëindigd. De conclusie is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van werknemer niet in strijd is met artikel 7:669 lid 3 sub a BW, zodat toekenning van een billijke vergoeding niet mogelijk is. Afwijzing van de verzoeken van werknemer volgt.