Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 18 juni 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:5361
Feiten
Werknemer is per 3 augustus 2015, aanvankelijk voor de duur van zeven maanden, in dienst getreden bij werkgeefster. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen waarin onder meer staat dat het werknemer niet is toegestaan om binnen een straal van 30 kilometer vanaf het adres van werkgeefster werkzaamheden voor derden te verrichten. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst met werkgeefster opgezegd per 1 oktober 2018. Per diezelfde datum is hij in dienst getreden bij een ander bedrijf in Moerdijk. In conventie heeft werknemer onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat er tussen werknemer en werkgeefster geen concurrentie- en relatiebeding geldt, althans dat werknemer niet in overtreding is van het concurrentiebeding door in dienst te treden bij het andere bedrijf. In reconventie heeft werkgeefster – kort gezegd – betaling van opeisbare boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding gevorderd. In het vonnis van 13 juni 2019 heeft de kantonrechter als vaststaand aangenomen dat de vestiging in Moerdijk binnen het bereik van het concurrentiebeding ligt. Werkgeefster is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat werknemer binnen een straal van 30 kilometer vanaf de vestiging van werkgeefster voor het andere bedrijf werkzaamheden heeft verricht.
Oordeel
Uit de genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de kantonrechter dat werkgeefster is geslaagd in het bewijs. Uit die bewijsmiddelen kan redelijkerwijs worden afgeleid dat werknemer voor het andere bedrijf werkzaamheden heeft verricht in de vestiging van het andere bedrijf in Moerdijk. Dat erkent werknemer ook met zoveel woorden, al zijn die werkzaamheden zowel in tijd als in inhoud volgens hem beperkt. Op de foto’s uit een rapport is een persoon, waarvan tussen partijen vaststaat dat dat werknemer is, te zien en de kantonrechter kan ook uit eigen waarneming bij de getuigenverhoren afleiden dat het bij deze foto’s om dezelfde persoon, dus om werknemer gaat. In combinatie met de observaties op de in het rapport vermelde data en tijdstippen leidt dat tot de conclusie dat werknemer in Moerdijk voor het andere bedrijf werkzaamheden heeft verricht. Bij dit oordeel is mede van betekenis dat werknemer de bevindingen uit de bewijsmiddelen wel tegenspreekt, maar daar alleen zijn eigen schriftelijke verklaring tegenover stelt. Hij heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht in contra-enquête getuigen te laten horen die verklaringen. Ook heeft hij geen schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die de bevindingen uit het rapport en de foto’s als bewijsmiddelen kunnen ontkrachten, zoals collega’s of zijn leidinggevende. Het standpunt van werknemer is dat hij werkte in de vestiging van het andere bedrijf in Antwerpen, wat in zijn visie werkzaamheid in Moerdijk uitsluit. Hij heeft die stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd. Nu werkgeefster is geslaagd in de bewijsopdracht komt vast te staan dat werknemer het concurrentiebeding heeft overtreden. Hij is daarom in beginsel de overeengekomen boete verschuldigd. Nu gesteld noch gebleken is dat het dienstverband van werknemer bij het andere bedrijf vóór 1 oktober 2019, de dag waarop het concurrentiebeding expireerde, is geëindigd, moet worden aangenomen dat werknemers werkzaamheden in Moerdijk tot die datum hebben voortgeduurd en dat de overtreding heeft geduurd tot en met twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgeefster.