Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Martinair Holland B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 juli 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:2197
Afwijzing vordering tot nabetaling beëindigingsvergoeding nu finaal kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst ook ziet op de situatie dat achteraf zou komen vast te staan dat de vrijwillige vertrekregeling niet kwalificeert als Regeling Vervroegd Uittreden.

Feiten

Werknemer is van 1 januari 1994 tot 1 april 2015 als verkeersvlieger in dienst geweest van Martinair. In verband met een krimpende vrachtmarkt heeft Martinair te maken gekregen met overbezetting. Om deze boventalligheid op te lossen en gedwongen ontslagen te voorkomen heeft Martinair in overleg met de VNV een vrijwillige vertrekregeling (VVR 2014) opgesteld en voorgelegd aan de Belastingdienst om te laten beoordelen of sprake was van een Regeling Vervroegd Uittreden (RVU). Dit is een regeling die nagenoeg uitsluitend als doel heeft een financiële overbrugging te verzorgen voor de periode van ontslag tot aan de ingangsdatum van het pensioen of de AOW. Omdat de overheid wil voorkomen dat werkgevers vooral oudere werknemers ontslaan, wordt RVU-beëindigingsvergoeding met een extra heffing van 52% belast voor de werkgever. Op 6 juni 2014 heeft Martinair de VVR 2014 aan alle verkeersvliegers toegestuurd onder voorbehoud dat de regeling geldt, indien er op individueel niveau geen sprake is van een RVU. Werknemer heeft op 18 juni 2014 een e-mail van Martinair ontvangen waarin onder meer is opgenomen dat toepassing van de VVR tot een RVU en daarmee tot een uit te keren bedrag van € 523.403,22 zou leiden. Binnen de toets van de Belastingdienst mag de beëindigingsvergoeding van werknemers maximaal € 298.268,78 bedragen. Martinair was bereid werknemer tegemoet te komen en de vergoeding vast te stellen op € 344.344,22. Werknemer heeft vervolgens afgezien van deelname aan de VVR 2014. Omdat de vrijwillige maatregelen nog niet tot voldoende afbouw hadden geleid, is er op 31 december 2014 een nieuwe vrijwillige vertrekregeling tot stand gekomen (VVR 2014-2015). Werknemer heeft op 12 januari 2015 een e-mail van Martinair ontvangen waarin onder meer opnieuw is opgenomen dat toepassing van de VVR tot een RVU zou leiden. Werknemer heeft op 9 februari 2015 een e-mail van Martinair ontvangen waarin Martinair zich bereid verklaard hem een individuele vertrekregeling aan te bieden van € 268.532,91, welke in lijn is met de VVR. Op dezelfde dag ging werknemer akkoord. Bij brief van 10 februari 2015 heeft Martinair een vaststellingsovereenkomst verzonden naar werknemer, die werknemer op 13 februari 2015 heeft ondertekend. Martinair heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Belastingdienst om de vertrekregelingen als RVU aan te merken. Bij vonnis van 18 november 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat de VVR niet kan worden aangemerkt als RVU. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd Martinair te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 147.407,06 bruto. Hij heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Martinair hem, in plaats van het toegekende bedrag van € 268.532,91 bruto, een bedrag had moeten betalen van € 407.887,04 bruto. Werknemer stelt dat Martinair had afgezien van toekenning van dit oorspronkelijk becijferde bedrag, omdat op dat bedrag de RVU-regeling van toepassing zou zijn. Achteraf is evenwel gebleken dat de RVU-regeling niet van toepassing zou zijn geweest. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt werknemer op.

Oordeel

Allereerst is van belang dat in de vaststellingsovereenkomst de tussen partijen afgesproken beëindigingsvergoeding van € 268.532,91 is opgenomen, dat is bepaald dat Martinair geen enkele andere vergoeding dan deze beëindigingsvergoeding aan werknemer is verschuldigd en dat is vermeld dat partijen elkaar finale kwijting verlenen. Uit deze bewoordingen kan redelijkerwijs worden afgeleid dat hiermee is vastgelegd dat partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd een algehele en finale regeling te treffen van alle mogelijke tussen partijen bestaande en toekomstige geschillen. Uit de bewoordingen van de overeenkomst, noch uit de aan het sluiten van de overeenkomst voorafgegane onderhandelingen valt op enigerlei wijze af te leiden dat het de bedoeling is geweest van partijen om de mogelijkheid voor werknemer open te houden een hogere ontslagvergoeding te vorderen dan hem was toegekend, indien zou komen vast te staan dat op de VVR-regeling de RVU toch niet van toepassing zou zijn. Martinair heeft verklaard dat zij een regeling wilde treffen waarbij zij zekerheid had over de maximaal door haar te maken kosten en dat zij niet de onzekerheid wilde in de toekomst wellicht nog nabetalingen te moeten doen. Nadat werknemer in juni 2014 het voorstel van Martinair tot het vaststellen van de ontslagvergoeding door rekening te houden met de kwantitatieve toets had verworpen, nam hij begin januari 2015 zelf contact op met Martinair om een ontslagregeling te bespreken, waarin voor de hoogte van de ontslagvergoeding wederom rekening werd gehouden met de kwantitatieve toets. Het hof gaat er daarmee van uit dat werknemer bij het aangaan van de ontslagregeling niet over één nacht ijs is gegaan en zich van de gevolgen van het vervolgens op 9 februari 2015 voorgelegde voorstel bewust was althans bewust moet zijn geweest. Ook op dat moment was het voor werknemer duidelijk althans had het voor hem duidelijk moeten zijn dat de Belastingdienst zich op het standpunt stelde dat de VVR-regeling niet voldeed aan de kwalitatieve toets en daarmee als een RVU werd gezien, maar ook dat dit standpunt van de Belastingdienst nog aangevochten kon worden. Desondanks heeft werknemer geen voorbehoud gemaakt bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Het hof acht in dit verband ook van belang dat werknemer vrijwillig van de ontslagregeling gebruik heeft gemaakt. Hij had ook bij Martinair in dienst kunnen blijven. Naar het oordeel van het hof ziet het kwijtingsbeding daarmee ook op de situatie dat achteraf zou komen vast te staan dat, anders dan de Belastingdienst meende, de VVR-regeling althans de met werknemer getroffen regeling wel aan de kwalitatieve toets voldeed, en daarmee toetsing aan een kwantitatieve eis niet meer aan de orde was. Om die reden kent de vaststellingsovereenkomst naar het oordeel van het hof ook geen leemte. Beide partijen waren er zich van bewust, althans hadden zich er bewust van moeten zijn, dat het standpunt van de Belastingdienst over het al dan kwalificeren van de regeling als RVU niet definitief was komen vast te staan en dus de mogelijkheid bestond dat de regeling toch niet als RVU kwalificeerde. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.