Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Martinair Holland B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 juli 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:2199
Afwijzing vordering tot nabetaling beëindigingsvergoeding nu finale kwijtingsbeding in de vaststellingsovereenkomst ook ziet op de situatie dat achteraf zou komen vast te staan dat de vrijwillige vertrekregeling niet kwalificeert als Regeling Vervroegd Uittreden.

Feiten

Werknemer is van 1 januari 1988 tot 1 april 2015 in dienst geweest van Martinair. In verband met een krimpende vrachtmarkt heeft Martinair te maken gekregen met overbezetting. Om deze boventalligheid op te lossen en gedwongen ontslagen te voorkomen, heeft Martinair in overleg met de VNV een vrijwillige vertrekregeling (VVR 2014) opgesteld en voorgelegd aan de Belastingdienst om te laten beoordelen of sprake was van een Regeling Vervroegd Uittreden (RVU). Dit is een regeling die nagenoeg uitsluitend als doel heeft een financiële overbrugging te verzorgen voor de periode van ontslag tot aan de ingangsdatum van het pensioen of de AOW. Omdat de overheid wil voorkomen dat werkgevers vooral oudere werknemers ontslaan, wordt RVU-beëindigingsvergoeding met een extra heffing van 52% belast voor de werkgever. Op 10 juli 2014 heeft de Belastingdienst beslist dat de VVR 2014 kwalificeert als een RVU. Op 31 december 2014 is Martinair met de VNV een nieuwe vrijwillige vertrekregeling overeengekomen (VVR 2014-2015). Deze regeling geldt onder het voorbehoud dat een individuele beëindigingsregeling niet wordt aangemerkt als een RVU. Op 4 januari 2015 heeft werknemer aan Martinair zijn interesse kenbaar gemaakt voor deelname aan de VVR 2014-2015. In een e-mail van 12 januari 2015 heeft Martinair aan werknemer meegedeeld dat toepassing van de VVR 2014-2015 in zijn geval tot een RVU zal leiden en dat hij daarom niet in aanmerking komt voor een vertrekregeling. In een e-mail van 23 januari 2015 heeft Martinair aan werknemer een beëindigingsvergoeding van € 175.537,24 aangeboden. Bij brief van 6 februari 2015 heeft Martinair aan werknemer meegedeeld dat zijn verzoek tot deelname aan de VVR 2015-2016 is gehonoreerd en dat het dienstverband zal eindigen op 31 maart 2015. Bij de brief is een vaststellingsovereenkomst gevoegd. Voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst heeft werknemer Martinair in e-mails van 17 februari, 9 en 20 maart 2015 verzocht om de mogelijkheid open te houden om de afgedragen RVU-heffing alsnog te kunnen vorderen als achteraf blijkt dat (toch) geen sprake is van een RVU-situatie en om een dergelijke vordering buiten de finale kwijting houden. Martinair heeft werknemer daarop onder meer in haar e-mails van 25 februari 2015 en 12 maart 2015 expliciet laten weten dat hij met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst ook afstand doet van het recht om later in een procedure te claimen dat hij alsnog recht heeft op het verschil tussen de vergoeding op basis van de VVR 2014-2015 en het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd Martinair te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 91.279,36 bruto, indien vast komt te staan dat geen RVU-heffing is verschuldigd. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt werknemer op.

Oordeel

Het hof stelt vast dat in de vaststellingsovereenkomst de beëindigingsvergoeding van € 175.537,24 is opgenomen, dat is bepaald dat Martinair geen enkele andere vergoeding dan deze beëindigingsvergoeding aan werknemer is verschuldigd en dat partijen elkaar finale kwijting verlenen ter zake van alle aanspraken uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan. Uit deze bewoordingen kan redelijkerwijs worden afgeleid dat hiermee is vastgelegd dat partijen met de vaststellingsovereenkomst hebben beoogd een algehele en finale regeling te treffen van alle mogelijke tussen partijen bestaande en toekomstige geschillen over de arbeidsrelatie. Ook verder biedt de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen aanwijzing dat partijen voor ogen hebben gehad dat deze artikelen zover strekten dat dit ook (terug)betaling van eventueel naderhand op te komen aanspraken op de afgedragen RVU-heffing omvatte. Voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst heeft werknemer Martinair in zijn e-mails van 17 februari, 9 en 20 maart 2015 verzocht om de mogelijkheid open te houden om de afgedragen RVU-heffing alsnog te kunnen vorderen als achteraf blijkt dat (toch) geen sprake is van een RVU-situatie en om een dergelijke vordering buiten de finale kwijting houden. Martinair heeft werknemer daarop onder meer in haar e-mails van 25 februari 2015 en 12 maart 2015 expliciet laten weten dat hij met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst ook afstand doet van het recht om later in een procedure te claimen dat hij alsnog recht heeft op het verschil tussen de vergoeding op basis van de VVR 2014-2015 en het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag. Ook heeft Martinair daarbij vermeld dat zij een allesomvattende finale kwijting en geen losse eindjes wil. Vervolgens heeft werknemer Martinair daarop in zijn e-mail van 25 maart 2015 laten weten dat hij zich dat realiseert, maar dat hij desondanks besluit om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Hieruit volgt dat een eventuele naderhand opkomende RVU-claim expliciet aan de orde is geweest bij de onderhandelingen, zodat werknemer niet redelijkerwijs mocht verwachten dat dit niet in het finale kwijtingsbeding was verdisconteerd. Dat Martinair op 25 juni 2015 heeft bericht dat zij zich opnieuw zou beraden als blijkt dat zij de afgedragen RVU-heffing alsnog terugkrijgt van de Belastingdienst, doet onvoldoende af aan deze tussen partijen gemaakte en in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken. In die brief is immers geen enkele toezegging te lezen. Dat (het de bedoeling was van partijen dat) de VVR 2014-2015 integraal, en dus ook wat betreft de berekening van de beëindigingsvergoeding, op de vaststellingsovereenkomst van toepassing zou zijn, zoals werknemer stelt, kan het hof niet volgen. Martinair heeft werknemer in haar e-mail van 25 februari 2015 expliciet bericht dat de VVR 2014-2015 niet op hem van toepassing is, zodat voor hem ook duidelijk was, althans had moeten zijn, dat hij geen recht had op een volledige vergoeding voortvloeiende uit die regeling. Gelet op al het voorgaande kan niet gezegd worden dat Martinair zich niet als een zorgvuldig handelend werkgever heeft opgesteld door de afgedragen RVU-heffing na terugbetaling daarvan door de Belastingdienst niet aan werknemer uit te betalen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.