Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 26 april 2021
ECLI:NL:RBNHO:2021:6749
Feiten
Werknemers hebben tot 1 maart 2021 de functie van Supervisor Security Operations (hierna: SSO) bij Schiphol vervuld. Tot 1 maart 2021 bestonden bij Schiphol op de afdeling Security Operations, waar werknemers werkzaam zijn, de volgende functies: Schiphol Security Manager (SSM), Security Area Manager (SAM) of Supervisor Security Operations (SSO). Schiphol heeft naar aanleiding van het ‘Project Reset’, waarbij zij haar organisatie efficiënter wenst in te richten, besloten om onder meer de functie van SSO en SAM per 1 maart 2021 te laten vervallen. Per 1 maart 2021 is voor de twee vervallen functies de nieuwe functie van Security Officer (SO) in de plaats gekomen. Het aantal SO’ers bedraagt in de nieuwe opzet 55 fte, hetgeen een reductie met 20 fte ten opzichte van de situatie voordien betreft. De OR heeft ten aanzien van de reorganisatie positief geadviseerd. Werknemers hebben bij e-mail van 6 februari 2021 bezwaar gemaakt tegen hun afwijzing voor de functie van SO bij de bezwarencommissie van Schiphol, maar de bezwarencommissie heeft het bezwaar van de werknemers op 19 februari 2021 afgewezen. Omdat werknemers een minnelijke regeling niet hebben geaccepteerd heeft Schiphol een pro-formaontslagaanvraag bij het UWV ingediend en werknemers op non-actief gesteld. In deze procedure vorderen werknemers bij wijze van voorlopige voorziening plaatsing en (weder)tewerkstelling per 1 maart 2021 in de functie van SO.
Oordeel
Het is de kantonrechter genoegzaam gebleken dat werknemers, die per 1 maart 2021 op non-actief zijn gesteld, een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. De kantonrechter overweegt vervolgens dat werknemers eigenlijk om twee verklaringen voor recht vragen: eerst aangaande de uitwisselbaarheid van de functies SSO en SO, dan wel passendheid van de functies en vervolgens aangaande het recht op plaatsing in de nieuwe functie. Dit gaat het bereik van een voorlopige voorziening te buiten. De kantonrechter kan geen declaratoire uitspraak doen. Gelet op het voorgaande zal de vordering van werknemers tot tewerkstelling in de functie van SO worden afgewezen. In kort geding kan onvoldoende worden vastgesteld of de functies van SO en SSO onderling uitwisselbaar zijn of niet. Door de beperkingen die in kort geding in acht genomen dienen te worden, wordt evenwel ook Schiphol getroffen. Alleen indien sprake zou zijn van evidente verschillen tussen de functies (evidente niet-uitwisselbaarheid) zou in kort geding tot uitgangspunt kunnen worden genomen dat uitwisselbaarheid niet aan de orde is, zodat er tevens van uit kan worden gegaan dat het UWV de vereiste toestemming tot beëindiging van het dienstverband zal gaan geven. Naar het oordeel van de kantonrechter is van een dergelijke evidentie in het onderhavige geval geen sprake. Ten eerste komt de functie van SSO qua salarisschaal aanzienlijk dichter in de buurt bij de functie van SO, dan bij die van SAM. Ten tweede is door een van de werknemers ter zitting toegelicht dat zijn werkzaamheden feitelijk voor een groot deel bestonden uit werkzaamheden die ook door een SAM’er werden verricht. Het voorgaande betekent dat Schiphol door de werknemers per 1 maart 2021 op non-actief te stellen in beginsel niet als een goed werkgever heeft gehandeld. Tot het moment waarop het UWV zal oordelen dat van uitwisselbaarheid tussen de functies geen sprake is, dient het voor Schiphol niet als onuitvoerbaar te worden gezien om de werknemers weder te werk te stellen. Goed werkgeverschap brengt immers onder meer met zich dat de werknemer in beginsel een ontslagprocedure mag afwachten vanuit een werkende situatie. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Schiphol in de gegeven omstandigheden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een redelijke en voldoende zwaarwegende grond is voor de op non-actiefstelling van de werknemers. De vordering van de werknemers tot wedertewerkstelling tot het verrichten van SSO-werkzaamheden zal door de kantonrechter dan ook worden toegewezen.