Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 april 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:1173
Feiten
Werkneemster is op 15 november 2016 in dienst getreden bij Heat. In augustus 2019 werd bij Heat bekend dat Merin het cateringcontract en daarmee de exploitatie van diverse locaties per 1 januari 2020 zou gunnen aan PDX. Heat heeft op 18 september 2019 de zogenoemde Veneca-lijst naar PDX gestuurd. Op die lijst staat werkneemster vermeld. Begin november 2019 heeft PDX gesprekken gevoerd met de medewerkers die werkzaam waren op voornoemde locaties, waaronder werkneemster. Werkneemster heeft zich op 10 november 2019 ziek gemeld bij Heat. Bij brief van 21 november 2019 heeft PDX aan werkneemster geschreven – kort samengevat – dat PDX niet gehouden is om de arbeidsovereenkomst van werkneemster voort te zetten, omdat er geen sprake is van een overgang van onderneming. Verder wordt in de brief aangegeven dat PDX geen gebruik zal maken van de diensten van werkneemster, dat haar werkzaamheden op locatie 1 eindigen op 31 december 2019 en dat het dienstverband van werkneemster met Heat in stand blijft en Heat gehouden is het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Bij brief van 22 januari 2020 heeft Heat werkneemster geschreven dat op grond van wet- en regelgeving inzake overgang van cateringcontracten het op de betreffende locaties werkzame personeel automatisch over is gegaan naar PDX, zodat PDX per 1 januari 2020 van rechtswege de nieuwe werkgever is van werkneemster. Werkneemster heeft vanaf 1 januari 2020 geen loon ontvangen. Bij voorlopige voorziening heeft de rechtbank geoordeeld dat Heat onder de werkingssfeer van de cao Contractcatering (hierna: cao) valt. Bij vonnis in kort geding (en een herstelvonnis) is PDX veroordeeld tot betaling van (een gedeelte van) het loon. In eerste aanleg heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de opzegging is vernietigd en dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter heeft Heat veroordeeld om een deel van het salaris aan werkneemster te betalen. Werkneemster is vanaf 1 januari 2020 van rechtswege in dienst getreden bij PDX en aan haar wordt het loon doorbetaald.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst van 12 juli 2018 rechtsgeldig is overeengekomen tussen Heat en werkneemster. In artikel 1.3 van die arbeidsovereenkomst is bepaald dat op de arbeidsovereenkomst de cao van toepassing is, zodat sprake is van gebondenheid aan de cao. Tussen partijen staat vast dat werkneemster in het kader van haar arbeidsovereenkomst met Heat betrokken was bij activiteiten van Heat op het gebied van catering. Heat en werkneemster vallen derhalve onder de werkingssfeerbepaling van de cao. PDX was verplicht de arbeidsovereenkomst met werkneemster voort te zetten en deze te behandelen als een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. Volgens het hof is geen sprake van oneigenlijk gebruik. Heat heeft immers geen niet-betrokken werknemer op het te verliezen project geplaatst met het oogmerk een extra reductie te bewerkstelligen van eigen, niet betrokken werknemers, de voorwaarden voor oneigenlijk gebruik. Heat heeft ook geen nieuwe arbeidsovereenkomst aan werkneemster voorgelegd met het uitsluitende doel te bewerkstelligen dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster zou overgaan naar PDX. PDX is dus gehouden de arbeidsovereenkomst van werkneemster voort te zetten.